zaterdag 14 maart 2026

Vrede in blauwe stilte.

 

Schilderij getiteld: Vrede in blauwe stilte, Mieke van Ameijde, Acryl op linnen, 60x80 cm.

Ik probeer met dit essay een prozaïsch verslag te maken van een schilderij waar ik een speciaal gevoel bij heb. Mieke heeft dit in 2001 intuïtief geschilderd. 


Het blauwwitte doek dat ons Mieke heeft geschilderd ademt een stille, bijna meditatieve spanning, alsof twee werelden elkaar raken zonder elkaar werkelijk te verstoren. In de zachte wisselwerking tussen blauw en wit ontstaat een ruimte die niet zozeer een plek is, maar een gemoedstoestand. De vogel, met zijn gespreide vleugels en zijn vloeiende, bijna muzikale lijnen, lijkt niet te vliegen maar te ontstaan, als een gedachte die zich losmaakt uit de diepte van een innerlijk landschap. Het humane gelaat, met gesloten ogen en een contour die nauwelijks meer is dan een suggestie, vormt het ankerpunt van deze wereld. Het is een gezicht dat niet kijkt, maar voelt en de expressie van dit voelen is heel sterk. Het voelende gelaat observeert niet, maar laat toe. De sereniteit van de gesloten ogen contrasteert met de beweging van de vogel, waardoor een subtiel spel ontstaat tussen rust en dynamiek, tussen het innerlijke en het uiterlijke, tussen droom en ontwaken.
In de vogelvorm zit iets dat doet denken aan een hoofdje, klein en rond, bijna verscholen in de beweging van de vleugel. Het is alsof deze vogel niet alleen een dierlijke gestalte heeft, maar ook een subtiel menselijk of spiritueel aspect met zich meedraagt. Wanneer je dat kleine hoofdje eenmaal ziet, verandert de betekenis van het schilderij. De vogel wordt dan niet alleen een symbool van vrijheid of beweging, maar ook drager van bewustzijn. Het is alsof er een tweede aanwezigheid in het werk zit, een stille passagier die meevliegt, meekijkt of misschien zelfs de innerlijke stem van de figuur met de gesloten ogen vertegenwoordigt. Het kan ook suggereren dat de vogel niet losstaat van de mensfiguur, maar een deel van haar is. Een soort innerlijk wezen, een gedachte, een liefdevolle herinnering of een beschermende kracht. Dat verborgen, kleine hoofdje maakt de vogel minder abstract en meer figuratief, alsof het een eigen identiteit heeft binnen het schilderij.
Een vrouwelijk gezicht verschijnt uit de zee van blauw, als een droom. De keuze van een beperkt palet versterkt dit effect. Blauw, in al zijn schakeringen, draagt een eeuwenoude symboliek van verdriet of melancholie, diepte, innerlijke stilte, oneindigheid, rust en spiritualiteit. Het is de kleur van de lucht, van water dat gedachten weerspiegelt, van afstand en verlangen. Wit brengt licht binnen, maar geen fel licht; eerder het soort licht dat door een dun gordijn valt, wat je als getemperd licht zou kunnen benoemen, zacht en vergevingsgezind. Samen creëren ze een sfeer waarin de grens tussen vorm en gevoel vervaagt. De penseelstreken zijn zichtbaar, soms haast impulsief, alsof Mieke niet schildert om te definiëren maar om te laten ontstaan, niet om te beheersen, maar om te bevrijden. Haar werk lijkt zeker niet te streven naar perfectie, maar naar echtheid, naar een moment waarin iets essentieels zich toont zonder zich volledig prijs te geven. Het doek voelt daardoor niet bedacht, maar intuïtief geboren, als een moment waarin iets innerlijks wordt losgelaten in de buitenwereld.
De relatie tussen de vogel en het gezicht is misschien wel het meest intrigerende element. Ze lijken niet los van elkaar te bestaan. De vogel zou een herinnering kunnen zijn, een verlangen, een gedachte die vleugels krijgt. Even goed kan hij een symbool zijn van vrijheid die nog niet is bereikt, of juist van vrijheid die van binnenuit groeit. Het kleine gezichtje in de vogel, roept de suggestie van een innerlijke dialoog op. Misschien is de vogel een herinnering die nog een stem zoekt, of een beschermende kracht die zich voorzichtig toont. Mogelijk is het een deel van de mensfiguur dat zich losmaakt, een gedachte die vleugels krijgt, een verlangen dat vorm aanneemt. Maar het schilderij dwingt geen interpretatie af, nee het nodigt uit tot kijken en opnieuw kijken, tot het toelaten van wat zich aandient zonder het meteen te willen begrijpen. Het vraagt om resonantie.
Het gezicht, zo stil en gesloten, lijkt dit alles te dragen zonder het te benoemen. Het is een stilte die niet leeg is, maar vol van ingehouden emoties. Een stilte waarin iets broeit, iets dat zich nog niet met taal heeft kunnen verbinden. De vogel fungeert dan misschien als eerste klank van die taal, een ingehouden beweging die zijn stilte niet verbreekt maar verdiept.
Ook de eenvoudige signatuur "Mieke ", geeft het geheel een persoonlijke, bijna intieme lading. Het voelt alsof de schilderes zich niet verschuilt achter een kunstzinnig masker, maar vanuit een oprechte innerlijke beweging heeft gewerkt. Het geheel krijgt daardoor de kwaliteit van een intuïtief verhaal, dat niet geheel verteld hoeft te worden om betekenisvol te zijn.
In de combinatie van stilte en beweging, van het gesloten gezicht en de vogel met zijn verborgen hoofdje, ontstaat een beeld dat blijft hangen, dat zich geleidelijk ontvouwt en dat mij uitnodigt om eigen gedachten en gevoelens in de open ruimte van het doek te laten meebewegen. Het blijft voor mij een boeiend werk, waar ik vaak naar kijk. Het fluistert soms mijn naam, zacht resonerend en onverklaarbaar.

J.J.v.Verre.

dinsdag 10 maart 2026

Moeder.

 

                                                 Mijn moeders sjaal


plots was de geur uit jouw sjaal verdwenen

die lange tijd mijn herinneringen fris hield

alsof de tijd zijn vingers had gesloten

rond wat ik nooit verliezen wilde


ik drukte de wol tegen mijn gezicht

zocht naar een spoor van jou

maar vond alleen de leegte die achterblijft

wanneer een hart te lang moet missen


toch draag ik jou, moeder

in elke adem die ik onbewust kies

in elke dag die zich ontvouwt

in jouw liefdevolle zachtheid


en toch, soms heel even

wanneer de wind mijn haren verwaait

meen ik je weer te proeven

niet in de stof, maar in mij


J.J.v.Verre

donderdag 5 maart 2026

De taal van verbonden handen.

 

Het fluisteren van verbonden handen in een dans van herstel en overgave. Foto Erwin Olaf, tentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam t/m 6-4-2026.


In deze twee handen ontvouwt zich een ontmoeting die groter is dan het moment zelf. Het is alsof de ziel even zichtbaar wordt in de manier waarop huid, spanning en zachtheid elkaar raken. De ene hand reikt, de andere antwoordt, niet als gebaar van bezit, maar als een belofte van vertrouwen. Er zit een stille choreografie in dit contact: een dans die niet begint bij de fysieke wil, maar bij de innerlijke beweging van twee wezens die elkaar willen verstaan. De vingers lijken te luisteren, te tasten naar een waarheid die niet in woorden past.

In hun naderende aanraking ontstaat een ruimte die bijna heilig aanvoelt, een plek waar kracht en kwetsbaarheid elkaar niet tegenspreken, maar elkaar verheffen. Alsof het universum even door de huid heen ademt en toont dat in dit gebaar een oeroude verbondenheid ontwaakt. Wat mij in deze foto het diepst raakt, is de volgende interpretatie: de fotograaf toont hoe deze twee mensen, midden in een balletuitvoering die discipline en beheersing vraagt, toch een moment vinden waarin puur menszijn doorbreekt. Een moment waarin aanraking geen beweging is, maar betekenis.


J.J.v.Verre.

Kom terug.

 

beschadig me, beschimp me, bespot me, bespuug me, verneder me, veracht me, pijnig me, breek me, steek me, pest me, vertrap me, verwond me, kleineer me, chanteer me, lieg me, bedrieg me, ontwijk me, bezeik me, verleidt me, berijdt me, verbrandt me, verteer me, kruisig me, begraaf me, maar kom terug.


beschadig me, breek me, bespot me,
met de wreedheid van een god die speelt
bespuug me als stormregen op een dorstig veld
verneder me tot ik niets ben dan lucht
maar kom terug

pijnig me, splijt me, steek me met je stilte,
verwond me met je afwezigheid
vertrap me als aarde
die smeekt om jouw voetstap
maar kom terug

bestuif me als asregen,
uit een uitgebluste hemel
verstrooi me als licht,
dat door een prisma treedt
maar kom terug

verwens me tot de vele sterren,
die hun naam zijn vergeten
verduister me als een maan,
die haar glans niet wil verliezen
maar kom terug

verjaag me als echo's,
die te lang hebben gezweefd
laat me trillen onder het gewicht
van jouw onverbiddelijke gemis
maar kom terug

chanteer me met je schaduw,
kleineer me tot een huivering in de nacht
bedrieg me met honing die brandt,
lieg me tot ik dronken ben van jouw illusie
maar kom terug

verleid me, verteer me, brand me tot licht,
verslind me tot vonk
kruisig me in jouw naam, begraaf me in jouw geur
maar, o goddelijke wreedheid, liefste van me
alsjeblieft, kom terug in bed


J.J.v.Verre.



zaterdag 28 februari 2026

Tussen twee tijden.

 

Een schemerlandschap tussen nacht en ochtend. De lucht vloeit van diep violet naar zacht koper. In het midden staat een androgyn silhouet, open en gespannen tegelijk, alsof het lichaam zelf een woordloos gebed is. Rondom hen bewegen zachte lichttinten die aantrekken en afstoten in één adem. De grond pulseert warm, als een gloeiende herinnering. In de verte staat een tweede aanwezigheid, een vorm van licht net buiten bereik. De ruimte tussen beide figuren trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt.


Er zijn kortstondige ogenblikken die zich niet laten vangen in de lineaire logica van tijd. Ze bestaan niet vóór of ná, maar ertussen, als een zucht die weigert te verdwijnen, als een trilling die zich nestelt in de poriën van het bestaan. In zo'n moment staat een figuur, niet als subject of object, maar als overgang. Niet als mens, maar als mogelijkheid.

De ruimte waarin dit wezen zich bevindt is geen landschap in geografische zin, maar een veld van betekenis. De lucht is geen atmosfeer, maar een geheugen van licht. Alles ademt verwachting, maar zonder enige vorm van belofte. De horizon is geen grens, maar een vraag: wat blijft, als alles voorbijgaat?

De figuur zelf is een paradox, tegelijk open en gesloten, verlangend en terughoudend, aanwezig en afwezig. De armen zijn uitgestrekt, niet in overgave, maar in hunkering. Niet om te ontvangen, maar om te bevestigen dat er iets was, iets is, iets blijft. Rondom hen cirkelen stroken licht, als herinneringen welke zich niet laten reduceren tot verleden, maar zich gedragen als actieve krachten, magnetisch, dwingend en teder.

In de verte staat een tweede gestalte, vaag, bijna opgelost in het licht. Geen antwoord, geen oorsprong, maar een spiegel van verlangen. De afstand tussen hen is geen fysieke scheiding, maar een ethische ruimte: het domein van wat nog niet is, maar zou kunnen zijn. Het domein van het bijna, dat in zijn onvoltooidheid een vollediger waarheid draagt dan het reeds.

Zo wordt het landschap een metafoor voor het menselijk bewustzijn: een plek waar de tijd niet heerst, maar huivert. Waar de herinnering geen archief is, maar een levend organisme. Waar de liefde geen bezit is, maar een beweging, een kruispunt van licht en schaduw, van hoop en verlies, van aanwezigheid en het verlangen naar terugkeer.

Wat zich hier afspeelt is geen ontmoeting, maar een ontregeling. De figuur in het midden is geen hoofdrolspeler, maar een drager van potentie, een gestalte die niet handelt, maar ondergaat. Niet als slachtoffer, maar als getuige van een kosmisch spel waarin nabijheid en verlies elkaar voortdurend afwisselen. En terwijl het spel zich herhaalt in steeds subtielere spiralen, beseft het universum dat zelfs zijn eigen adem een poging is om het onzegbare te raken. En ergens in die voortdurende wisseling, waar begin en einde elkaar niet meer herkennen, ontvouwt zich een zachte fluistering die suggereert dat zelfs het oneindige soms verlangt naar een ander ritme.

De ruimte trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt. Alsof elke ademstoot van de aarde een poging is om het verlangen zelf vorm te geven, een pulserende herinnering dat zelfs stilte een richting kent. En in die trilling, waar verlangen en herinnering elkaar voortdurend herscheppen, lijkt het alsof het schouwspel wacht op een beweging die nog niet is gekozen, maar al voelbaar door de huid van het moment glijdt. Alsof het precies daar, in dat nauwelijks waarneembare verschuiven, een nieuwe mogelijkheid zoekt om zich te tonen. Een kiem van betekenis die nog geen naam draagt maar al wel gewicht heeft in het weefsel van het licht. En zo blijft het moment hangen, niet als antwoord, maar als een belofte van wat zich ooit opnieuw zou kunnen ontvouwen.


J.J.v.Verre.


woensdag 18 februari 2026

De Tijdmachine.

 

Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht die niets wil veranderen, maar slechts wil bewaren wat in die nacht nog nagloeit. Want sommige momenten zijn geen verleden, maar een trilling die blijft bestaan als een zucht tussen twee tijden.


Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht, niet om te keren wat geweest is, maar om te bewaren wat nog gloeit.

Een ademtocht van as en licht, een trilling tussen twee tijden, waar liefde niet verdwijnt, maar blijft hangen in het duister.

Geen knoppen, geen schermen, alleen herinnering als brandstof, en verlangen als kompas.

Want sommige nachten zijn geen verleden, maar een belofte die weigert te sterven.


J.J.v.Verre.



dinsdag 3 februari 2026

Lentedag.

 

Zonlicht valt door een smalle spleet in verduisterende gordijnen op een nog stille slaapkamer en geeft met zijn warme gloed en zachte schaduwen, een serene sfeer van ontwaken.


Door een spleet in de verduistering kust het ochtendlicht mijn oogleden. Wakker worden is een proces dat dagelijks geschiedt, maar nooit helemaal begrepen wordt. Flarden droomresten ontsnappen uit je geheugen, en herboren worden in een nieuwe dag is een feit. Gisteren is nu echt voorbij en komt alleen gehavend terug in herinnering. En dan, in dat stille tussenliggende moment waarin je nog niet helemaal teruggekeerd bent in je lichaam van de vorige dag, lijkt het leven even te pauzeren. Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt. Je voelt hoe het licht je opnieuw vormt, hoe elke straal een zachte invitatie is om weer deel te nemen aan het ritme van ons dagelijks bestaan.

De kamer om je heen is nog is nog half schaduw, half belofte. Buiten beweegt de dag zich al voort, maar binnen heerst een serene rust, een soort innerlijke lente die niet afhankelijk is van seizoenen. Je beseft dat elke ochtend een kans is om opnieuw te beginnen, niet omdat gisteren vergeten moet worden, maar omdat het zich heeft teruggetrokken tot een geschiedenis die je met je meedraagt. In dat besef ontstaat een liefdevolle dankbaarheid voor het licht dat je wakker maakt. Voor de dromen die jou loslaten. Voor de tijd die zich steeds weer ontvouwt, geduldig en zonder oordeel. En terwijl je opstaat, voel je hoe de dag zich opent als een deur die nooit op slot heeft gezeten. Je stapt er doorheen, niet als iemand die iets achterlaat, maar als iemand die iets meeneemt: het stille weten dat elke ochtend een kleine wedergeboorte is, een respons van het leven dat zegt: begin maar weer, ik ben er nog steeds. En zo draag je, bijna onopgemerkt, het zachte bewijs met je mee dat elke dag niet alleen begint, maar jou ook opnieuw laat beginnen. Terwijl je opstaat om de lentedag te begroeten, merk je hoe het licht in jou hetzelfde doet als buiten: het groeit zonder haast, alsof het precies weet waar het heen wil, en jou zachtjes herinnert aan de mystieke kunst om jezelf elke dag opnieuw te zijn. En in dat geruisloze groeien herken je iets vertrouwds, alsof het leven zelf even met je meeloopt en bevestigt dat elke dag niet vraagt om verandering, maar om aanwezigheid. Een aanwezigheid die kalm is, maar vastberaden, die zich niet hoeft te bewijzen, die niet zoekt naar erkenning, en zich kan tonen in het eenvoudige en oprechte. Het nestelt zich in het ritme van het alledaagse, in een blik die blijft hangen, een hartslag welke niet versnelt, in een leegte die vol is van hernieuwde levenslust. In dat samenvallen met jezelf ontvouwt zich de eenvoud die niets verlangt, volledig geïncorporeerd in dat ene moment.


J.J.v.Verre.