donderdag 30 juli 2026

Sterrenpracht.

 

De afbeelding toont een zittend persoon aan de oever van een meer, verzonken in diepe overpeinzing. Hij kijkt naar de fonkelende sterrenhemel waarin de Melkweg als een lichtende stroom de nacht doorkruist. De verstilde compositie verbeeldt de sterrennacht niet alleen als een uitgestrekt kosmisch landschap, maar ook als een innerlijke ruimte waarin herinnering, verlangen en zelfontmoeting samenvloeien.

Het spel van licht en schaduw bedwelmt mijn adem, alsof ieder beweging van het donker een nieuwe vorm van aanwezigheid in mij aanraakt. Oh sterrenpracht van deze bijzondere nacht, waarin de stilte zich uitstrekt als een zachte mantel over mijn gedachten. Mijn hoofd lijkt betoverd door jouw glinsterende adem, die zich als een zachte stroom langs de randen van mijn bewustzijn vleit. Langzaam lossen mijn gedachten op en droom hoe de nacht zich om mij heen sluit als een ademende ruimte, een plek waar alles wat ik overdag probeer te begrijpen eindelijk mag rusten. In dat zachte zweven tussen waken en verdwijnen lijkt de sterrenlucht een deur te openen naar iets wat niet helemaal van deze wereld is: een trage stroom van beelden, herinneringen, verlangens die zich als lichtvlekken verzamelen aan de binnenkant van mijn bewustzijn.

Ik droom dat de stilte mij draagt, alsof ik even gewichtloos word in een universum dat niets van mij verlangt behalve aanwezigheid. Iedere ster fluistert haar eigen verhaal, een klein geheim dat alleen in deze nacht hoorbaar wordt. Het donker is geen grens meer, maar een uitnodigende ruimte waarin ik mijzelf opnieuw ontmoet.

Zo droom ik verder, gedragen door een nacht die niet alleen om mij heen ligt, maar ook door mij heen beweegt: een tedere, bijna heilige trilling die iedere gedachte losweekt uit haar vaste vorm. In deze diepte lijkt het alsof de sterren niet langer boven mij hangen, maar zich vermengen met mijn eigen binnenwereld, als kleine brandpunten die helder blijven oplichten.

De nacht ademt, en met iedere ademhaling verschuift iets in mij: een oud verlangen dat zich uitstrekt, een vergeten herinnering die zich behoedzaam opricht, een fluistering die niet van buiten komt, maar uit een plaats die ik lange tijd vermeed te betreden. Het is alsof de duisternis mij niet omhult, maar doorlaat; alsof zij mij uitnodigt te verdwijnen in een ruimte waar geen richting bestaat, alleen aanwezigheid.

Terwijl ik verder sluimer, merk ik hoe de verstilling zich verdiept - niet als afwezigheid van geluid, maar als een zachte, dragende kracht die alles wat scherp is afrondt. De sterren zingen hun verhalen, en ik luister zonder te hoeven begrijpen. Ik voel hoe het donker zijn grenzen verliest en zich opent als een poort naar een innerlijk landschap dat alleen in deze nacht toegankelijk wordt.

Misschien is dit de ware betovering van de sterrenpracht: dat zij mij niet van mijzelf verwijdert, maar mij juist terugbrengt. Naar een plaats waar ik mijzelf ontmoet in mijn meest oorspronkelijke vorm: gewichtloos, ontvankelijk en ongebonden, bevrijd van alles wat mij overdag zo stevig vasthoudt.


J.J.v.Verre.




woensdag 15 juli 2026

Het Scheveningse vissersvrouwtje.

 

Dit bronzen beeld aan de boulevard van Scheveningen, vaak Kniertje genoemd, werd vervaardigd door de beeldhouwer Gerard Bakker en in november 1982 onthuld door Beatrix der Nederlanden.


"Voor allen die uitvoeren en niet terug keerden." Die woorden zijn niet alleen in steen gebeiteld, maar in het zachte, zoute geheugen van een dorp dat eeuwenlang leefde op het ritme van de zee. Het vissersvrouwtje in Scheveningen staat daar niet slechts als een beeld, maar als een stille wachter tussen werelden. Haar bronzen huid draagt de matte, verweerde glans van wind en tijd, alsof zij zelf langzaam is teruggekeerd uit een andere dimensie - een wereld waarin de stemmen van de verdronkenen nog fluisteren in de plooien van haar rok.

Aan haar voeten liggen bloemen, altijd bloemen, als resten van rituelen die elders hun taak al hebben vervuld. Bloemen die eerst een kist vergezelden, een afscheid markeerden, en hier opnieuw tot leven lijken te komen in het zicht van het verslindende water. Alsof rouw een kringloop kent. Ze liggen daar als zachte echo's van namen die niet langer klinken, als kleuren die weigeren te verdwijnen in het grijs van de Noordzee.

Het beeld vormt een ankerpunt in een landschap dat voortdurend beweegt. De zee trekt zich terug en keert terug, maar de mannen die ooit uitvoeren deden dat niet altijd. In die eeuwige herhaling van golven schuilt een wrede vorm van trouw: de zee geeft ritme, maar geen garanties. En de vissersvrouw weet dat. Haar houding drukt geen wanhoop uit, maar een weten dat ouder is dan woorden. Zij staat daar als iemand die begrijpt dat liefde soms betekent dat je een ander moet toevertrouwen aan een macht die groter is dan jezelf.

Misschien schuilt daarin de ware mystiek van dit monument. Het herinnert niet alleen aan de doden, maar ook aan de dunne grens tussen aanwezigheid en verdwijnen. Aan het feit dat iedere afvaart een kleine sprong in het onbekende is, een offer aan de diepte. Achterblijven wordt dan een eigen vorm van reizen: een tocht door stilte, wachten, te lang wachten en herinnering. 

De bloemen, de bronzen vrouw, de wind die langs haar strijkt alsof hij haar iets wil vertellen - samen vormen zij een plek waar tijd niet lineair meer lijkt. Hier vloeien verleden en heden in elkaar over als twee stromen die elkaar heel even raken. De vissers die nooit terugkeerden zijn niet verdwenen; ze zijn opgenomen in het weefsel van dit dorp: in de geur van de wind, in het schuim van de branding, in de verhalen die grootmoeders fluisteren, in de starende blik van het beeld dat nooit knippert.

Zo staat zij daar niet als symbool van verlies, maar als behoedster van een stille waarheid: dat ieder mens die de horizon tegemoet gaat, een spoor achterlaat dat niet door water kan worden uitgewist. Dat liefde, zelfs wanneer zij wordt uitgerekt tot aan de rand van de wereld niet breekt maar slechts van vorm verandert. Dat herinnering een soort licht is dat blijft branden, zelfs wanneer de zee donker wordt.

In dat licht staat Kniertje, ons vissersvrouwtje, omgeven door bloemen die een tweede leven hebben gevonden. Een mythische priesteres van het tussenrijk, de overgang tussen de fysieke wereld en het onzichtbare, het onderbewuste - een plaats waar verdriet en schoonheid elkaar raken als twee golven die heel even dezelfde richting kiezen. Misschien bewaart ze daarom haar eeuwige stilte: omdat sommige waarheden niet bedoeld zijn om uitgesproken te worden, maar om als getijden door de ziel te bewegen, onzichtbaar, ongrijpbaar en eeuwig terugkerend.

J.J.v.Verre.

donderdag 2 juli 2026

Het Modderbos.

 

In het modderbos wordt het licht geboren uit water. Niet uit de hemel, maar uit het glinsteren van druppels die zich verzamelen aan de randen van bladeren, als kleine altaren van vocht. Het bos is doorweekt, maar niet zwaar - het draagt zijn natheid als een geheim dat het alleen in nevels onthult.

In het Modderbos ademt de aarde zwaar. Elke stap zakt een fractie dieper weg, alsof de grond je wil vasthouden, je wil herinneren aan iets wat je ooit hebt achtergelaten. Het bos is doorweekt tot in zijn wortels; de bomen staan als donkere wachters in een wereld die zacht is geworden, poreus en ontvankelijk voor alles wat druppelt en wegvloeit.

De lucht hangt laag, een vochtige sluier die het licht breekt in matte glinsteringen. Hier glijdt de dag niet voorbij - hij druipt. Van tak naar tak, van blad naar blad, tot hij als een dunne stroom langs de schors naar beneden loopt en zich mengt met het eeuwige slurpen van de modder. Het pad is geen pad meer, maar een herinnering aan richting. Je voeten verdwijnen in een traag zuigende mond, een oergeluid dat klinkt alsof het doorweekte bos je naam scandeert. En soms, wanneer de wind even stilvalt, lijkt het alsof het hele Modderbos ademt in één donkere cadans - een hartslag van water, aarde en tijd.

Het licht zelf wordt hier geboren uit water. Niet uit de hemel, maar uit de glinstering van druppels die zich verzamelen aan de randen van bladeren, als kleine altaren van vocht. Het bos draagt zijn natheid als een geheim dat het slechts aan de stilte toevertrouwt. De aarde zuigt zacht aan je voeten, alsof ze wil weten wie je bent voordat je verder mag. Elke stap is een vraag. Elke afdruk een antwoord dat meteen weer wordt opgenomen in het drassige geheel, alsof het bos je wil leren dat niets werkelijk bezitbaar is - zelfs je eigen spoor niet.

De bomen staan niet willekeurig maar alsof ze ooit samen iets hebben aanschouwd dat hen voorgoed  heeft verbonden. Hun stammen zijn donker en glanzend, als de huid van een zwetend nijlpaard. Soms lijken ze te bewegen, haast onmerkbaar, in een ritme dat niet van deze wereld is - een ademhaling die je pas hoort wanneer je zelf stil genoeg bent geworden. 

Het water dat overal sijpelt, draagt stemmen. Geen woorden, maar klanken die doen denken aan herinneringen die ouder zijn dan jezelf. Een oeroude melodie van soppige aarde, mos dat zich aan schors hecht en wortels die elkaar ondergronds raken. Het is alsof het bos je uitnodigt te luisteren naar wat onder de tijd verborgen ligt: naar dat wat niet vergaat, maar steeds opnieuw een andere vorm aanneemt.

Hier wordt alles zachter: de grens tussen boom en schaduw, tussen grond en water, tussen jou en het bos. Alsof het Modderbos je langzaam herschrijft, je contouren vervaagt, je terugbrengt tot iets eenvoudigs en oeroud - een mens die luistert naar het natte fluisteren van de wereld. 

Wanneer je stilstaat, midden in dat vochtige hart, voel je hoe de grenzen verder oplossen. Tussen jou en de bomen. Tussen water en lucht. Tussen het moment en alles wat eraan voorafging. Alsof het bos je niet alleen omhult, maar je herinnert aan een verbondenheid die ouder is dan herinnering zelf. Een plek waar je nooit eerder was, maar die je toch herkent. Een plek waar de aarde je naam niet uitspreekt, maar zingt in je verwondering.

Wanneer je uiteindelijk omkijkt, zie je dat je spoor al lang is verdwenen. Het bos bewaart niets. Het neemt alleen op draagt alles verder, dieper, naar een plaats waar modder en stilte samenvallen - waar ook jij langzaam deel van wordt.

En even lijkt het alsof niet jij het bos hebt doorkruist, maar het bos, zwijgend en geduldig, door jou heen is gegaan.


J.J.v.Verre.


Dit essay ontstond uit een moment tijdens een recente vakantie op Zanzibar. In een tropisch bos brak onverwacht een moessonregen los. Binnen enkele minuten waren de zandpaden veranderd in modderstromen en waadden we door een landschap dat eerder op een moeras dan op een wandelpad leek. Elke stap zonk weg in de zuigende aarde, terwijl mijn schoeisel nog hardnekkig bleef geloven in zon en droogte.


zaterdag 27 juni 2026

Plaknacht.

 

Onder het koele maanlicht vervaagt de grens tussen lichaam, droom en herinnering, terwijl een slapende gestalte oplost in zweet, mist en stilte. Verspreide woorden, een gebroken spiegel en een splijtende vloer verbeelden een identiteit die haar vaste vorm heeft verloren.


In een plaknacht werd mijn stelling ontkracht:

dat mijn ziel een vaste vorm bewaart,

want ik voelde mij oneindig nat

tussen laken en kussensloop, vergaard

uit zweet en maan. En ergens zacht

kraakte het hout, alsof het wist

van een grens waarvan ik altijd dacht

dat zij bestond - maar nu vermist.


Mijn hand was niet de hand van gister,

mijn adem rook naar verre mist,

mijn huid herkende haar eigen naam niet meer.

En alles wat ik dacht te weten

lag op de vloer: verwrongen, ongewist.


J.J.v.Verre.


dinsdag 19 mei 2026

Echo van een ongeboren vogel.

 

Het schilderij Echo van een ongeboren vogel van Mieke van Ameijde (Acryl op papier) verwijst met zijn titel naar een aanwezigheid die nog geen vorm heeft gevonden, maar zich al laat voelen als een trilling in de lucht. Het suggereert een beweging die voorafgaat aan geboorte - een vleugel die nog niet is uitgeslagen maar wel al een spoor achterlaat in het innerlijk van de kijker. Het werk is geen voorstelling maar een resonantie: een herinnering aan iets dat nog moet ontstaan, een glimp van een mogelijkheid die zich in kleur en lijn heeft vastgezet. In die echo klinkt zowel kwetsbaarheid als kracht; het werk ademt in de ruimte tussen wat zichtbaar is en wat zich nog niet heeft uitgesproken.


Dit schilderij laat zich lezen als een spanningsveld tussen vorm en ontbinding, tussen herkenning en abstractie - alsof de werkelijkheid zelf even in beweging is gezet en nog niet heeft besloten welke gedaante zij wil aannemen. De vogelachtige vormen suggereren leven, richting, misschien zelfs vlucht, maar ze zijn tegelijk gefragmenteerd, overlappend, bijna in strijd met zichzelf.

Het schilderij ontvouwt zich als een spanningsveld tussen vorm en ontbinding, tussen herkenning en abstractie - alsof de werkelijkheid zelf even aarzelde en in die aarzeling zichtbaar werd. De vogelachtige contouren suggereren leven, richting en misschien vlucht, maar tegelijk zijn ze gefragmenteerd en overlappend, bijna in strijd met zichzelf. Ze lijken op te stijgen én terug te vallen, gevangen in een beweging die niet naar een bestemming wijst maar naar een innerlijke trilling, een zoeken dat ouder is dan richting. 

De kleuren botsen en omarmen elkaar: het geel dringt naar voren als een lichtkern, het blauw ademt als een koel tegenwicht, terwijl rood en zwart als onderstromen fluisteren dat elke vorm zijn oorsprong draagt in iets rauws, iets ongetemds. De penseelstreken zijn krachtig, direct en impulsief - geen beschrijving maar een gebaar dat zich niet laat temmen door logica of contour. Zo krijgt het werk een ritmische energie: het beweegt, het duwt en het trekt. De vogelmotieven, vaak symbolen van vrijheid,  lijken hier gevangen in een moment van transformatie: niet opstijgend maar zoekend naar een nieuwe gedaante.

Het geheel voelt als een herinnering aan beweging, aan een vlucht die nog niet heeft plaatsgevonden, aan een spanning tussen vrijheid en vorm die in elk levend wezen sluimert. Misschien wil het schilderij daarom niet alleen gezien, maar ook gelezen worden - niet als een verhaal, maar als een ademhaling, een echo van een innerlijke verschuiving die zich in kleur en lijn heeft vastgezet voordat zij kon verdwijnen.

J.J.v.Verre.

zaterdag 9 mei 2026

Noodlot.

 

Een mysterieuze vrouw gehuld in een sterrenmantel weeft een gloeiende draad die zich verbindt met een web van tijd en gebeurtenissen. In haar hand rust een zandloper, terwijl de schemering het landschap om haar heen in gouden en blauwe stilte hult.


In de avond van het leven

wanneer het licht zachter valt

en de dag zijn scherpte verliest,

tekent het noodlot zijn schaduw.

Niet als een dreiging, maar als vorm

die eindelijk zichtbaar wordt.



Het spreekt niet in bevelen,

maar in verbanden.

In de stille ordening

van wat ons overkwam,

wat wij dachten te kiezen

en ons allang had gekozen.


Als een patroon dat zich pas weeft

wanneer de draad al is gelegd.

Wij lopen vooruit,

maar het noodlot kijkt achterom.

Leest de lijnen die wij niet zien,

maar die al in ons besloten liggen



Ooit noemde men het een wet,

een kosmische bedding

waarin zelfs goden hun plaats kenden.

Waar de tijd zich omdraait:

namen als oorzaak, toeval, samenloop.

Maar de naam verandert de schaduw niet.



J.J.v.Verre.




donderdag 19 maart 2026

Wanneer zielen elkaar herinneren.

 

                        Het herkennen van jezelf in het hart van de ander.
       Geschilderd door Mieke van Ameijde in 2004, Acryl op papier.


In dit schilderij lijkt de wereld teruggebracht tot twee figuren die niet zozeer lichamen zijn, maar gestolde bewegingen van ziel tot ziel. Ze staan tegenover elkaar als wezens die elkaar al langer kennen dan één leven kan bevatten, alsof hun vormen slecht tijdelijke omhulsels zijn van een ontmoeting die zich door de tijd heen blijft herhalen. De vrouw rijkt haar hart aan, niet als offer en niet als een gebaar van verlies, maar als een stille erkenning van wie zij is en wat zij draagt. Het hart dat zij vasthoudt lijkt niet uit organisch materiaal te bestaan, maar uit licht, herinnering en kwetsbaarheid, een spirituele kern die niet alleen klopt, maar ook resoneert.

De ander ontvangt het met een behoedzaamheid die doet vermoeden dat liefde nooit een bezit is. Zijn of haar gestalte lijkt androgyn, alsof het schilderij wil zeggen dat liefde zich niet laat begrenzen door rolpatronen, lichamen of tijd. Misschien was deze geliefde ooit een vrouw, misschien ooit een man, misschien wel iets daartussenin; maar hier, in dit moment, is dat allemaal niet van belang. Liefde als energie, als kracht die niet claimt, maar uitnodigt. Een ontmoeting waarin identiteit vloeibaar wordt, niet omdat die verdwijnt, maar omdat ze zich durft te openen. Wat telt is de beweging tussen hen, de stille stroom van geven en ontvangen die hen verbindt voorbij de grenzen ven één leven.

De achtergrond, zacht en tijdloos, lijkt te ademen in groenen en witten, alsof de wereld even ophoudt te bestaan, wanneer liefde zich in haar getranscendeerde versie aan ons toont. Het is een ruimte zonder verleden of toekomst, een plek waar alleen de uitwisseling zelf betekenis heeft. Een ruimte die toegang geeft aan ons universele verlangen: dat liefde ons optilt uit de tijdelijkheid en ons even laat rusten in iets dat groter is dan wijzelf. En zo wordt dit schilderij een meditatie op nabijheid: het toont hoe een hart pas bestaat wanneer het wordt gedeeld, en hoe twee zielen elkaar soms herkennen in een toevallige vorm die toch een verbondenheid draagt die niet uit behoefte komt, maar uit iets dat ouder is dan verlangen, een dieper weten. Alsof deze twee wezens elkaar niet vinden, maar terugkeren naar een overlappend bewustzijn dat hen voorafgaat. En terwijl hun handen elkaar bijna raken, lijkt het alsof één stille waarheid tussen hen oplicht: dat liefde soms niet anders is dan het herkennen van jezelf in het hart dat je aan de ander geeft. Het hart dat zich verlicht in het eenvoudige wonder dat iemand het wil dragen zonder het ooit te bezitten. En in die beweging herkent de ander een spirituele energie die als een stille stroom tussen hen blijft bewegen, zelfs wanneer woorden tekortschieten. Soms lijkt het alsof de ruimte tussen hen meer vertelt dan hun gebaren ooit kunnen uitdrukken. In die kleine afstand, dat ademloze niemandsland, ontstaat een soort heilige stilte waarin alles dat onuitgesproken blijft toch wordt verstaan. Het is de plek waar verlangen niet duwt, maar geduldig wacht; waar nabijheid niet wordt gezocht, maar als vanzelf oplicht.

Misschien is dat wel de ware kracht van dit moment: dat het niet probeert te overtuigen, niet probeert te bezitten, maar eenvoudigweg zonder iets te willen bestaat. Een ontmoeting die zichzelf draagt, zonder haast, zonder angst, zonder de drang om iets anders te worden dan wat ze al is. Hier, in deze zachte uitwisseling, lijkt liefde niet langer een gevoel, maar een staat van zijn, een licht dat zich niet opdringt, maar toch alles verheldert wat het raakt. Dit schilderij is een stille getuige van wat liefde kan zijn wanneer ze niets hoeft, alleen een ademtocht van licht, gedragen door eenvoud.


J.J.v.Verre.