dinsdag 3 februari 2026

Lentedag.

 

Zonlicht valt door een smalle spleet in verduisterende gordijnen op een nog stille slaapkamer en geeft met zijn warme gloed en zachte schaduwen, een serene sfeer van ontwaken.


Door een spleet in de verduistering kust het ochtendlicht mijn oogleden. Wakker worden is een proces dat dagelijks geschiedt, maar nooit helemaal begrepen wordt. Flarden droomresten ontsnappen uit je geheugen, en herboren worden in een nieuwe dag is een feit. Gisteren is nu echt voorbij en komt alleen gehavend terug in herinnering. En dan, in dat stille tussenliggende moment waarin je nog niet helemaal teruggekeerd bent in je lichaam van de vorige dag, lijkt het leven even te pauzeren. Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt. Je voelt hoe het licht je opnieuw vormt, hoe elke straal een zachte invitatie is om weer deel te nemen aan het ritme van ons dagelijks bestaan.

De kamer om je heen is nog is nog half schaduw, half belofte. Buiten beweegt de dag zich al voort, maar binnen heerst een serene rust, een soort innerlijke lente die niet afhankelijk is van seizoenen. Je beseft dat elke ochtend een kans is om opnieuw te beginnen, niet omdat gisteren vergeten moet worden, maar omdat het zich heeft teruggetrokken tot een geschiedenis die je met je meedraagt. In dat besef ontstaat een liefdevolle dankbaarheid voor het licht dat je wakker maakt. Voor de dromen die jou loslaten. Voor de tijd die zich steeds weer ontvouwt, geduldig en zonder oordeel. En terwijl je opstaat, voel je hoe de dag zich opent als een deur die nooit op slot heeft gezeten. Je stapt er doorheen, niet als iemand die iets achterlaat, maar als iemand die iets meeneemt: het stille weten dat elke ochtend een kleine wedergeboorte is, een respons van het leven dat zegt: begin maar weer, ik ben er nog steeds. En zo draag je, bijna onopgemerkt, het zachte bewijs met je mee dat elke dag niet alleen begint, maar jou ook opnieuw laat beginnen. Terwijl je opstaat om de lentedag te begroeten, merk je hoe het licht in jou hetzelfde doet als buiten: het groeit zonder haast, alsof het precies weet waar het heen wil, en jou zachtjes herinnert aan de mystieke kunst om jezelf elke dag opnieuw te zijn. En in dat geruisloze groeien herken je iets vertrouwds, alsof het leven zelf even met je meeloopt en bevestigt dat elke dag niet vraagt om verandering, maar om aanwezigheid. Een aanwezigheid die kalm is, maar vastberaden, die zich niet hoeft te bewijzen, die niet zoekt naar erkenning, en zich kan tonen in het eenvoudige en oprechte. Het nestelt zich in het ritme van het alledaagse, in een blik die blijft hangen, een hartslag welke niet versnelt, in een leegte die vol is van hernieuwde levenslust. In dat samenvallen met jezelf ontvouwt zich de eenvoud die niets verlangt, volledig geïncorporeerd in dat ene moment.


J.J.v.Verre.

zondag 18 januari 2026

Niets is voor altijd.

Alles is niet voor altijd, maar altijd maar voor even. Je vindt iets moois, je draait je om en bent het kwijt. Je komt er,  't is niet anders, steeds meer achter in je leven. Niets is voor altijd. Ik dacht dat jij en ik voor altijd zou gaan duren. We zouden samen zijn en blijven tot in alle eeuwigheid. En inderdaad, de lange jaren samen leken korte uren. Maar niets is voor altijd. Het duurt niet lang, dan zijn we slechts herinneringen. Als ooit in steen gevangen wezens uit het Pleistoceen of Krijt. Als nooit door mensenoog geziene lang verdwenen dingen. Niets is voor altijd. Ooit droogt de zee, ooit zal de zon zelfs doven. Ooit komt er een einde aan de tijd. Dan zal er zelfs geen God meer zijn om in te hoeven geloven. Dan is het leven van het leven zelf bevrijd. Toch is er iets wat altijd rond zal blijven zingen. Een verre ijle toon van weemoed en van spijt. Om alle mensen en de dwaze wegen die ze gingen. Dat blijft altijd. Dat blijft altijd.
                                                           Jeroen van Merwijk.



En toch zijn er dagen die zich in je geheugen vastzetten alsof ze weigeren te verdwijnen. Het was halverwege januari, zo’n winterdag waarop de wereld stil lijkt te staan. In zo'n maand die eindeloos lijkt. De lucht was helder en koud, het licht bleek en laag, en de aarde lag in een soort ingehouden adem. De bomen stonden naakt tegen de hemel, alsof ze hun laatste restjes trots hadden afgelegd. In die winterstilte voelde ik dat er iets in mij verschoof. Niet abrupt, maar als een trage, diepe beweging onder de oppervlakte. Mijn lichaam reageerde anders dan ik gewend was. De energie die vroeger vanzelfsprekend door me heen stroomde, kwam nu in schokjes. Soms krachtig, soms onverwacht broos. Ik merkte het aan mijn dromen, aan mijn concentratie, aan een onverklaarbare vermoeidheid die zich in mijn botten nestelde. Stramheid in de benen bij het opstaan, wat ik nog als klacht van mijn opa herinnerde. Ik stond op de rand van iets nieuws. Maar ik wilde het niet zien.

Zoals veel mannen deed ik wat ik altijd deed, ik ging gejaagd door. Ik werkte te hard, ik zweeg, ik lachte het weg. Ik vertelde mezelf dat het de winter was, de kou, de donkere dagen. Maar het schuurde. Mijn geheugen liet me soms in de steek, mijn lichaam voelde warmer dan de winterlucht toeliet, en ergens diep vanbinnen wist ik, dit is geen seizoen dat buiten weer voorbijtrekt, nee dit is een seizoen ín mij. Een jaargetijden opmaak ter voorbereiding op de herfst. Er brandde iets in mij dat de winter niet kon blussen, en toch voelde ik mij kouder dan sneeuw, killer dan ooit. En diep in de duisteren spelonken van mijn bewustzijn kwam iets langzaam bovendrijven, iets dat onvoldoende was weggestopt. Iets dat mijn toiletspiegel me al op sommige ochtenden probeerde te vertellen.

Het moment was daar. Ik moest erkennen dat mijn jeugdige vanzelfsprekendheid aan het verschuiven was. Niet als verlies, maar als overgang. Toch voelde het eerst als een vijand, alsof een deel van mijn identiteit langzaam uit mijn handen gleed.

Men zegt dat je verandering moet omarmen. Maar een man is vaak opgevoed om te beheersen, te sturen, te fiksen. En verandering laat zich niet fiksen. Ons brein, dat oude mechanisme, ziet het nieuwe als gevaar. Pas later, wanneer de eerste schrik is gezakt, kunnen we zien dat het geen bedreiging was, maar een uitnodiging tot verdieping.

We weten het eigenlijk al: niets blijft voor altijd. Alles beweegt. Alles verandert. En toch klampen we ons vast aan wat we kennen, aan kracht, aan ritme, aan het idee van controle. Maar vasthouden maakt je moe. Het leven vraagt om meebewegen, als een rivier die haar loop volgt zonder te weten waar ze uitkomt. Soms verandert de stroom van richting zonder dat je het moment van omslag hebt gevoeld. Soms voelt het alsof je over ijs loopt dat kraakt, soms zak je even door je eigen weerstand heen. Maar zelfs dat hoort bij het man-zijn in transitie.

Wanneer je er middenin zit, lijkt het eindeloos. Alsof het nooit meer lichter wordt. Maar zelfs in januari, wanneer de dagen kort zijn en de kou diep, keert het licht langzaam terug. Na elke nacht komt een dag. Na elke winter een nieuwe lente. Na elke schok een nieuw evenwicht.

Dus leef in het moment. In harmonie met wat je dierbaar is. Zet bewust je volgende stap en transformeer stap voor stap. Dag na dag. Kleine bewegingen worden grote verschuivingen. Kijk met mildheid naar binnen, iets wat mannen vaak vergeten. Wat vraagt om aandacht? Wat wil gezien worden? Welke oude overtuiging mag eindelijk in het licht?

Zorg voor je lichaam, dat trouwe werktuig dat je door het leven draagt. Voed je goed. Rust. Beweeg. Adem dieper dan je onbewust doet. Probeer afscheid te nemen van toxische genotmiddelen Maar vul het ook met vreugde, zoals lachen, soms huilen, de natuur in, iets bouwen met je handen, iets nieuws leren, de wereld weer bekijken met de nieuwsgierigheid van een jongen. Wat die jongen blijf je ook na transitie. Want uiteindelijk is dat de essentie van elke mannelijke verandering, om je niet te verliezen in wie je was, maar terug te keren naar wie je bent geworden. En zo leerde ik, midden in de winter, dat elke man pas werkelijk groeit wanneer hij het nieuwe toelaat als een stille vlam in zijn eigen hart.

J.J.v.Verre.


zondag 21 december 2025

Vleugels die over de polder waaien.

Windmolens in de Noordoostpolder. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos.


De Noordoostpolder spreidt zich uit als een vlakke bladzijde, een open boek waarin de mens zijn tekens heeft achtergelaten. Waar ooit de zee haar golven liet rollen, staan nu de hoge wachters van de wind. Molens, die hun wieken spreiden als vleugels boven het land. Zij draaien niet slechts om energie op te wekken, maar om een gesprek te voeren met de eeuwige kringloop van lucht en tijd. Elke wiek is een gebaar, een cirkel die de tijd tekent. Het is alsof de molens de polder optillen uit zijn horizontale stilte en hem verbinden met een kosmische beweging. De wind, onzichtbaar maar voelbaar, wordt zichtbaar in hun draaiing. Zo wordt het ongrijpbare tastbaar en krijgt het vluchtige een vorm. De boer die zijn akker bewerkt, ziet hoe de molens boven hem hun wals uitvoeren. Hij weet dat zijn arbeid geworteld is in de grond, maar dat de molens hem herinneren aan de lucht, aan het onbegrensde. Het zijn vleugels die niet wegvliegen, maar blijven, verankerd in beton en staal en toch voortdurend in beweging. Zij zijn de schijnbare tegenstrijdigheid van het bestaan, zowel vast als vluchtig en zowel aards als hemels. De polder zelf lijkt te luisteren. Het water in de sloten rimpelt mee, de vogels trekken soms roekeloos hun lijnen langs de wieken en de horizon wordt een toneel waar mens en natuur elkaar ontmoeten. De molens zijn geen indringers, maar nieuwe bomen van een ander bos, een futuristisch bos dat niet groeit in wortels maar in cirkels van lucht. En zo wordt de Noordoostpolder een plaats van resonantie. Hier waait de wind niet slechts over het land, maar door de ziel van wie kijkt en luistert. De molens zijn vleugels die ons herinneren dat wij deel uitmaken van een groter geheel. Zij fluisteren dat vooruitgang niet het einde van traditie is, maar een nieuwe vorm van verbinding. Wanneer de avond valt en de zon zijn wieken rood kleurt, lijkt het alsof de polder zelf opstijgt. Niet letterlijk, maar in spirituele betekenis, als een verheffing van het vlakke naar het verhevene. Vleugels, die over de polder waaien, dragen niet alleen energie, maar ook een gelofte dat de mens, in zijn streven naar licht en kracht, steeds opnieuw de harmonie kan vinden met het Al. Dit verhaal is bedoeld als beschouwing die de windmolens niet enkel technisch of functioneel benadert, maar ze plaatst in een filosofisch en poëtisch kader. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos. Ik kijk omhoog. Geen reuzen, maar machines. De wieken draaien traag en machtig, maar nog steeds zijn ze een ontsiering van het polderlandschap in mijn beleving van de natuur. Misschien is mijn beleving nog te conservatief en wil ik iets blijven zien, zoals een molen op romantische schilderijen. Hoe poëtisch je die reuze molens ook zou kunnen beschrijven. In je liefde voor poëtisch proza kun je alles romantiseren, zelfs een reus.

 J.J.v.Verre

zaterdag 20 december 2025

Kerstgedachte.

 

De kerstgedachte is het licht van de schemering waarin het menselijke en het eeuwige elkaar aanraken. Een moment waarin tijd oplost en liefde haar contouren tekent in het donker.

Kerstmis is de zachte omkering van het jaar, waar het licht, nog maar een kiem in de duisternis, zich opnieuw aan ons toevertrouwt. Het is de tijd waarin de wereld even stilstaat, alsof de adem van de aarde wordt ingehouden, en wij als kleine reizigers in het grote donker, ons bezinnen en luisteren naar wat in ons fluistert. In de luwte van december wordt elke herinnering een kaars, elke stilte een wegwijzer, en elke gedachte een voetstap naar het onuitgesproken midden van onszelf. Het midden is de ruimte waar liefde niet iets is wat je geeft of ontvangt, maar iets wat je bent.

Daar klinkt ook de stem van vrede op aarde, die ons keer op keer in verwarring brengt wanneer we naar beelden van het journaal kijken. Met kerst lijken we te leven in een parallelle dimensie met een entourage van sneeuw, versierde bomen, lichtjes in allerlei vormen en kleuren. Ons leven wordt ondergedompeld in wat soms de illusie van liefde lijkt te zijn. Maar liefde laat zich niet manipuleren. Zij heeft zich verbonden met het ware licht, met betekenis en oprechtheid, met mildheid en aandacht, met verzoening, kwetsbaarheid, hoop en thuiskomst. Liefde is een klein lichtje dat weigert te doven. Een stilte. Een zachte blik. Een vertraagde stap. De bereidheid om niet te oordelen. Liefde is het allerbelangrijkste wat je bij je draagt. En het mooiste is om haar met een ander te delen. Dan raak je haar niet kwijt, maar vergroot je juist haar kracht. Wie veel liefde in zich draagt, kan stralen en de kille wereld verwarmen, pijn verzachten en het hart herinneren aan wat het nooit verloren heeft. Zo kan de sluimerende vonk in ieder wezen opnieuw ontwaken.

Zo wordt Kerstmis geen feest van uiterlijke pracht, maar een nederige thuiskomst, een terugkeren naar het licht dat wij het hele jaar al met ons meedragen, maar pas in deze heilige stilte durven te zien. In dat herwonnen licht herkennen wij elkaar opnieuw, als dragers van hetzelfde stille vuur. Het vuur dat liefde niet kan verschroeien, maar aanwakkert tot een hartstochtelijke intentie, de stille gloed waarin ieder mens zijn ware begin hervindt.


De kerstgedachte.

in het schemer tussen tijd en stilte
waar sneeuw de adem draagt,
ontwaakt een fluistering van oorsprong
als geheugen dat niet spreekt, maar weegt.

waar het duister zich opent als een kelk,
en licht zich niet toont, maar toevertrouwt,
wordt de mens spiegel van het onzegbare,
een drager van wat zich niet laat bezitten.

kerstgedachte is geen woord,
maar een trilling in het hart van de nacht,
waar liefde zich hult in eenvoud
het eeuwige zich buigt naar het kwetsbare.


J.J.v.Verre.



woensdag 17 december 2025

Sterven en daarna?

 


Een enkele kaars die brandt in de duisternis, haar licht en warmte verspreiden zich als zachte golven die de ruimte vullen, als symbool van voortzetting en resonantie van het leven. Het lichaam wordt aarde, een zak stof dat zich ontvouwt. De adem verdampt tot mist, het licht in de ogen dooft als een verre lamp achter de heuvels. En dan?? Dan begint het echte vertrek.

We staan op de oever van het bestaan, kijken uit over een zee van stilte waar geen boot ligt te wachten. De oversteek is geen reis, maar een ontbinding. Wij zijn het veer dat overgaat in water, de wijn die zich vermengt met de rivier. Wat "ik " heette, lost op in het grotere "wij " van de wind, het geheugen van de stenen, het donkere lied van de wortels onder het mos. Er is geen kaart. Er is alleen de vallende kier tussen voorheen en straks, een kier waar de tijd zelf doorheen lekt. Wie daar doorheen glijdt, wordt een herinnering in de adem van wie blijft. Een flard in de droom van een vreemde, een rimpeling in een plas waar later de maan in zal kijken. Misschien is daarna niet een plek, maar een terugkeer. Alsof een druppel zich herinnert dat zij de oceaan is. Alsof het licht dat eeuwen door de ruimte reist, eindelijk beseft dat het geen reiziger was, maar de reis zelf. Wij waren nooit de vlam, slecht het dansen ervan. Het dansen stopt. Het vuur......het vuur blijft. En wat overblijft is geen antwoord, maar een weerklank. Een vraag die nagalmt in het lege vertrek van het heelal. Waren wij ooit gescheiden, of hebben wij ons alleen maar ingebeeld dat wij alleen waren? In het verdwijnen ligt het antwoord, zachter dan stilte, ouder dan namen. Wij gaan niet heen. Wij worden teruggegeven. Aan het duister dat ons droeg, aan het licht dat ons vergat. En uiteindelijk, in die laatste ontvouwing van wat "ik " was, vallen alle vragen weg en blijft slechts het antwoord achter, niet als woord, maar als de voltooide stilte waaruit elk verhaal, opnieuw en opnieuw, voor het eerst begint.



              J.J.v.Verre.

dinsdag 16 december 2025

Het holografisch visioen.

De stad verrijst (1910), Umberto Boccioni (1882-1916) Olieverf op canvas 199/301 cm. MoMa, New York. Zoals Boccioni's stad verrijst in een dynamische stroom van licht, beweging en energie, zo verrijst het nieuwe denken als holografisch visioen. Een vibrerende totaliteit waarin mens en kosmos niet gescheiden zijn, maar samen pulseren in een tijdloze resonantie.


in web van licht en trilling,

waar golven zich ontmoeten,

verrijst een beeld dat geen deel kent,

waarin elke fractie het geheel draagt.



ons brein, als spiegel van het Al,

weeft herinnering als vibratie,

een fluistering van tijdloosheid,

een echo van het holoversum.



kortste weg is geen rechte lijn,

maar kromming door dimensies,

waar tijd zich niet voortbeweegt,

doch in vele richtingen openvouwt.



wij zien wat wij denken te zien,

wij horen wat wij verwachten,

toch is elk beeld een illusie,

een projectie van het kosmische veld.



het nieuwe denken opent zich,

niet door verleiding van bezit,

maar door ontwaken van inzicht,

waar ratio en intuïtie samenkomen.



zo wordt de mens veelvoudig,

een trilling van het Al,

een holografisch visioen,

dat zich eindeloos herhaalt.


J.J.v.Verre.






woensdag 10 december 2025

In memoriam J.J.Slauerhoff. Deel 3

 

                             Slauerhoff in zijn uniform als scheepsarts.


Zwanezang


Is 't waar dat ik, in langvervlogen dagen,

Geloofde in droomen en een dichter was?

Dat jonge meisjes met mijn verzen lagen

Zich te verzadigen, eenzaam in 't hooge gras?


Waarom wil geen mij, eenzaam nu, hergeven

Wat van de liefde, aan hun bloei verloren?

Nu ik verminderd ben, na zooveel leven

Nog zelfs niet zeggen kan: ik ben geboren.


Is de vervoering in hen opgegaan?

Die, eens een weelde, mij verwoestend was?

Ook de engelen die ijl en ver bestaan

Zijn onbereikbaar voor 't  gebannen ras,


Dat ze verwerkt heeft in verkeer met geesten

En in volmaakte schoonheid heen liet gaan,

Den goden tot genot. Ze zijn voor ons geweest, en

Nu gelukzalig en zien ons niet aan.


J.Slauerhoff


Een filosofische vertaling van de Zwanezang in proza:

Er was een tijd, lang geleden, waarin ik geloofde in dromen en mijzelf als dichter. Nu weet ik dat de dichter niet in zichzelf gelooft, maar in het woord. En dromen niet van mij zijn, ze passeren slechts mijn gedachten. Mijn woorden hadden toen de kracht om jonge meisjes te beroeren, die eenzaamheid zochten in het hoge gras en in mijn verzen een verzadiging van hun verlangens vonden. Nu echter, in mijn eenzaamheid, wil niemand mij teruggeven wat destijds in de bloei van hun liefde verloren ging. Na zoveel leven ben ik verzwakt en verminderd en kan ik zelfs niet met zekerheid vaststellen dat ik werkelijk geboren ben. Misschien is het de vervoering die mij ooit verwoestte, geheel in hen opgegaan. Wat voor mij een gevaarlijke weelde was, is voor hen opgelost in een hogere staat. Zelfs de engelen, die bestaan in een ijle en verre sfeer, zijn voor ons, het gebannen geslacht van mensen, onbereikbaar. Want zij hebben zich verbonden met geesten en zijn in volmaakte schoonheid verdwenen, tot vreugde der goden. Ze waren ooit onder ons, maar zijn nu gelukzalig geworden en zien ons niet meer staan.

                                                                  ---

Woorden in den Nacht


Voel je hoe ik naar je toe kom?

Je bent naakt in den nacht.


Wacht, ik doe eerst een doek om.

Nog niet, nog niet.


Liefkoos mij, zacht

Zeg dat je mij mooi vindt

En alleen door te streelen

In 't donker, mij ziet.


Zullen wij spelen,

Dat wie 't eerste lacht,

Moet ondergaan

Wat de ander bedacht?


O, laat het doorgaan,

Totdat wij doodgaan.

Alles wat hierna komt

Is niets dan Dood, vermomd

In schijn van Leven


Neem mij weer, wacht nog even.


J.Slauerhoff


Woorden in den Nacht opnieuw vertaald in proza:

In de stilte van de nacht klinken woorden die niet voor het daglicht bestemd zijn. Het zijn fluisteringen ontsproten uit een dieper domein, waar de menselijke ziel zich losmaakt van de banaliteit van het bestaan. Deze woorden dragen geen gewicht van alledaagse betekenis, maar zijn de fundamenten van een geheim, dat het tijdelijke met het eeuwige verbindt en het vergankelijke met het onbereikbare.

De dichter spreekt, maar zijn stem is niet enkel de zijne. Het is de echo van een verlangen dat door alle mensen heen gaat, het verlangen om gehoord te worden door iets dat groter is dan wijzelf. In de nacht, waar de grenzen tussen werkelijkheid en droom vervagen, dienen woorden als bruggen. Zij reiken naar het onbekende, naar de goden, naar de sterren die onverschillig schijnen en toch getuigen van onze roep. Maar deze woorden zijn ook breekbaar. Zij lossen op zodra de ochtend gloort, alsof de dag hen niet kan verdragen. Wat in de nacht een openbaring lijkt, wordt bij het eerste licht een herinnering, een schim. Toch blijft de mens ze uitspreken, omdat hij weet dat zonder deze nachtelijke woorden zijn bestaan leeg zou zijn. Die woorden in de nacht zijn niet louter klanken, maar krijgen het karakter van een filosofische daad, als een poging om het onzegbare te zeggen en het onbereikbare te benaderen. Zij zijn de stille getuigen van onze eindige aard en tegelijkertijd het bewijs dat wij, ondanks onze vergankelijkheid blijven zoeken naar zin en schoonheid.

                                                                                 ---

Morgen rijd ik


Morgen rijd ik met bedwelmende bloemen naar je toe.

Ik wil niet langer wachten, eindelijk weten hoe

Je bent; de bloemen zullen je verraden.

Als je liefdeloos bent, zullen ze kwijnen en treuren;

Als je kwijnt van verlangen, heviger geuren;

Als je brandt van verlangen, hun knoppen scheuren

En jij in een groot gebaar al je gewaden.


J.Slauerhoff (Uit: Serenade III-1938)

Vertaling in proza:

Ik besluit niet langer te wachten. Er is een drang in mij om jou werkelijk te leren kennen, niet in de abstractie van verlangen, maar in de werkelijkheid van een ontmoeting. Daarom kom ik naar je toe en neem ik bloemen mee. Niet zomaar bloemen, maar dragers van een verborgen geheim, spiegels van jouw innerlijk. De bloemen zullen mij vertellen wie jij bent, want ze reageren op de waarheid van je hart. Indien jouw wezen koud en liefdeloos blijkt, zullen zij verwelken, hun schoonheid verliezen, alsof zij treuren om het gemis aan warmte. Indien jij daarentegen verscheurd wordt door verlangen, zullen zij sterker geuren, hun essentie intensiveren, alsof zij zich gaan verheugen op jouw naderende passie. En mocht jouw verlangen zo hevig zijn dat het brandt, dan zullen hun knoppen openscheuren, zich niet langer kunnen bedwingen, zoals jij in een opwelling van overgave je gewaden afwerpt en je ware zelf toont.

                                                                              ---

De Dooden en de Kinderen


Kom vaak bij ons. Jij die begint te leven

Verstaat ons 't best en bent het dichtste bij.

Een kerkhof vind je, evenals een wei,

Een plaats goed om te draven en te spelen.


Je praat met dingen die geen antwoord

geven,

Die enkel lachen, stil, lang, als de zon,

Er schaduwen als glimlachen doen zweven.

Ook grauwe steenen in een dartle bron


Zijn oude watermannen van heel vroeger;

Zij moeten stilstaan en zij lachen goedig

Als je, schoenen en kousen in de hand,

Over hun hoofden springt naar de'

overkant


Om toovenaars te zoeken in het woud.

Je gaat stil zitten op een dooden boom,

Wilt blijven kijken, maar slaap maakt je

loom.

Dan komen wij en worden even oud.


J.Slauerhoff


Vertaling van het gedicht De Dooden en de Kinderen in proza:


Het kind, dat net begint te leven, staat het dichtst bij de doden. Het begrijpt hen beter dan wie ook, omdat het nog geen scheiding voelt tussen leven en dood. Voor het kind is een kerkhof niet anders dan een weide, een plek om te rennen, te spelen en om te ontdekken. Het spreekt met dingen die zwijgen, maar die in hun stilte een soort glimlach dragen, zoals de zon die schaduwen werpt die lijken op lachende vreemdelingen. Zelfs de grauwe stenen van een bron zijn voor het kind geen koude materie, maar oude watergeesten uit een ver verleden. Zij staan versteend stil, maar hun stilstand is vriendelijk en ze lijken te lachen wanneer het kind, met schoenen en kousen in de hand, over hen heen spring naar de overkant. In het woud zoekt het kind tovenaars en wanneer het moe wordt en in slaap valt op een dode boom, komt er een moment van samenvallen. Als de doden naderen vloeien de dimensies in elkaar over en voor een ogenblik zijn zij even oud als het kind.

                                                                       ---

De Zee

De zee, het eenige leven dat strekt

Van begin tot einde

-Terwijl alle andre, voor kort gewekt,

Gedwee en weerloos verdwijnen-

Geeft in. eeuwige breking

De groote, zachte verzeekring

Dat, wanneer allen versterven, verstijven,

Zij bevallig zal blijven.


En als ik ga gehaast,

Genaderd en genaast

Door den jagenden dood,

Hoor in den troost

Van 't eendre golfgeruisch,

Dat is als het vermengd gejuich

Van al haar schipbreuklingen, al haar

meeuwen,

Aanbreken over de eeuwen,

Die mij verzwijgen en verteren.


Zij heeft geen andre vormen

Dan de borsten van haar golven,

En geen andre woorden dan de volle

Koren van haar branding en haar stormen.

Maar sidderend belijdt

Eik leven, hoe verfijnd

En schoon 't in 't licht verschijnt,


De wankele kortstondigheid

Van zijn bekoorlijkheid

Voor de geweldige eentonigheid van 't

grootsche

En de onsterfelijke lieflijkheid van 't

doodsche.


J.Slauerhoff

De zee is het enige leven dat zich uitstrekt van oorsprong tot einde. Terwijl alle andere vormen van bestaan slechts kort ontwaken en weer verdwijnen, blijft zij onophoudelijk aanwezig. In haar eeuwige golfslag schenkt zij een zachte, doch betrouwbare zekerheid, dat als alles verstilt en vergaat, zij nog altijd gracieus zal voortbestaan.

Wanneer mijn eigen einde nadert, opgejaagd door de dood, hoor ik in haar geruis een troost. Het geluid van de golven is als een samengevoegd gejuich van allen die ooit ten onder gingen in haar diepte, samen met het geschreeuw van de meeuwen. Het is een eeuwig koor dat zich over de eeuwen uitstrekt en dat mij zal opnemen, verzwijgen en verteren. De zee kent geen andere vormen dan de rondingen van haar golven, geen andere taal dan het gezang van storm en branding. En toch erkent elk leven, hoe verfijnd en schoon het ook in het licht verschijnt, zijn eigen broze kortstondigheid tegenover haar overweldigende eentonigheid. Want in die monotonie schuilt iets groots, namelijk de onsterfelijke lieflijkheid van het dode, dat in haar altijd weer hervormd en herhaald wordt.

                                                               ---

Catastrophe


Hun vijver werd moeras,

Rust werd gevaar,

En nimfen zonken 

Zwaar toen zij niet

Meer zwemmen konden.


Het bleekgroen riet

Week, door zwart poelgewas

Verstikt en overwoekerd,

Van de verwischte oevren.


Toen enklen bovendreven,

Gezwollen als verworgden,

De haren los,

Doken die overleefden

Dieper in 't bosch.


Maar steeds naar de ramp getrokken,

Zagen zij andere dooden

Die niet verdronken:

Zij die niet vloden,


Liggend in 't slib, de voeten

Domplend in drabbig water,

Een prooi voor iedren sater,

Wiens bronst hen komt bezoeken.


J.Slauerhoff


Catastrophe vertaald in proza:

Wat eens een vijver van rust was, een spiegel van stilte, keerde zich om in een moeras. Het vertrouwde water, dat ooit een toevlucht bood, werd een valstrik. Waar licht en speelsheid huisden, zonken de nimfen, zwaar geworden door hun eigen onmacht, niet langer in staat zich te verheffen boven de golven.

Het bleekgroene riet, dat ooit zacht meebewoog met de wind, werd week en verstikt. Zwart poelgewas kroop eroverheen, als een herinnering die niet meer gewist kan worden en de oevers, ooit helder en begrensd, vervaagden in een onherkenbare schaduw. Enkelen dreven nog boven, opgezwollen als verworgden, hun haren losgeslagen, een beeld van wat verloren ging. De overlevenden, bezwaard door het zien van dit lot, kozen niet voor de open vlakte maar doken dieper het bos in, alsof de duisternis veiliger was dan het licht. Toch bleef de ramp hen trekken. Want wie eenmaal getuige is van ondergang, kan zich niet losmaken. Zij zagen anderen, niet verdronken, maar evenzeer verloren, zoals zij die niet vluchtten, die bleven liggen in het slib, de voeten dompelend in troebel water. Daar, in die stilstand, werden zij een prooi. Niet voor de dood alleen, maar voor de sater, het symbool voor de onverschillige natuur, van de bronst die zich niet stoort aan tragedie. Het leven zelf, in zijn rauwe drift, bezoekt hen, terwijl hun lichamen in de modder wachten.

Ter overdenking van deze poëzie van Slauerhoff, vertaald in proza, wil ik nog een korte filosofische impressie toevoegen. Zo behoeft het moeras niet enkel gezien te worden als een plaats van ondergang, maar tevens als spiegel van de menselijke conditie. Want in elk bestaan schuilt het gevaar dat rust omslaat in verstikking en dat schoonheid wordt overwoekerd door duisternis. Toch toont juist dit beeld van verzonken nimfen en stilgevallen oevers hoe kwetsbaar wij zijn en hoe die kwetsbaarheid de kiem van vernieuwing draagt. Want uit het slib kan nieuw riet groeien, uit de drabbige wateren kan weer een vijver ontstaan. Zoals de sater onverschillig zijn bronst volgt, zo blijft het leven zelf zich voortzetten, ongeacht ramp of verlies. En in dat voortgaan ligt onze mogelijkheid, om niet slecht te hoeven verdrinken in het moeras, maar om het te zien als een cyclus waarin elke catastrofe ook de belofte van een nieuw begin in zich draagt.

                                                                             ---

Het Einde

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land,

Vrat mij onstilbaar wee;

Zooals een gier de lever, want

Ik wist: geen streek geeft mij bestand,

En 'k zocht het ver op zee.


Maar nu ik ver gevaren heb

En lag op den oceaan alleen,

Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen

Niet boren door de kimmen heen,

Voel ik het trekken als een eb


Naar 't verre, vaste, bruine land ...

Nu weet ik: nergens vind ik vree,

Op aarde niet en niet op zee,

Pas aan die laatste smalle ree

Van hout in zand

Jan Slauerhoff  (Uit: Een eerlijk zeemansgraf, 1936)


Het Einde vertaald in proza, met een licht filosofische benadering:

Ooit, toen ik nog geworteld was in het binnenland, knaagde een onverzadigbaar verdriet aan mij. Het was als een roofvogel die de lever verscheurt, een diepe pijn die niet te stillen viel. Ik wist dat geen streek, geen horizon van akkers of bossen mij rust kon schenken. Daarom zocht ik mijn toevlucht in de zee, in het verre en onbegrensde.

Maar nu ik werkelijk ver gereisd heb en alleen lag op de oceaan, waar zelfs de verre eilanden Da Cunha en Sint-Heleen niet door de kimmen breken, voel ik een andere beweging in mij. Het is als de terugtrekking van het water bij eb, dat mij een gevoel van heimwee geeft naar het vaste, aardse, bruine land. 

En zo wordt mij duidelijk, dat nergens vrede is te vinden. Niet in het binnenland, niet op de oceaan. De rust openbaart zich pas aan het uiterste einde, daar waar de laatste smalle strook van hout in zand ligt, de grens van het leven, het graf, de dood. Daar, in die smalle strook tussen aarde en eeuwigheid, onthult zich het definitieve zwijgen. Want het einde is geen vernietiging, maar de poort waardoor het onrustige bestaan zich uiteindelijk oplost in het tijdloze.

                                                                 ---

J.J.v.Verre.

Jan Jacob Slauerhoff, 5 oktober 1936 op zijn sterfbed in Hilversum.