Slauerhoff in zijn uniform als scheepsarts.
Zwanezang
Is 't waar dat ik, in langvervlogen dagen,
Geloofde in droomen en een dichter was?
Dat jonge meisjes met mijn verzen lagen
Zich te verzadigen, eenzaam in 't hooge gras?
Waarom wil geen mij, eenzaam nu, hergeven
Wat van de liefde, aan hun bloei verloren?
Nu ik verminderd ben, na zooveel leven
Nog zelfs niet zeggen kan: ik ben geboren.
Is de vervoering in hen opgegaan?
Die, eens een weelde, mij verwoestend was?
Ook de engelen die ijl en ver bestaan
Zijn onbereikbaar voor 't gebannen ras,
Dat ze verwerkt heeft in verkeer met geesten
En in volmaakte schoonheid heen liet gaan,
Den goden tot genot. Ze zijn voor ons geweest, en
Nu gelukzalig en zien ons niet aan.
J.Slauerhoff
Een filosofische vertaling van de Zwanezang in proza:
Er was een tijd, lang geleden, waarin ik geloofde in dromen en mijzelf als dichter. Nu weet ik dat de dichter niet in zichzelf gelooft, maar in het woord. En dromen niet van mij zijn, ze passeren slechts mijn gedachten. Mijn woorden hadden toen de kracht om jonge meisjes te beroeren, die eenzaamheid zochten in het hoge gras en in mijn verzen een verzadiging van hun verlangens vonden. Nu echter, in mijn eenzaamheid, wil niemand mij teruggeven wat destijds in de bloei van hun liefde verloren ging. Na zoveel leven ben ik verzwakt en verminderd en kan ik zelfs niet met zekerheid vaststellen dat ik werkelijk geboren ben. Misschien is het de vervoering die mij ooit verwoestte, geheel in hen opgegaan. Wat voor mij een gevaarlijke weelde was, is voor hen opgelost in een hogere staat. Zelfs de engelen, die bestaan in een ijle en verre sfeer, zijn voor ons, het gebannen geslacht van mensen, onbereikbaar. Want zij hebben zich verbonden met geesten en zijn in volmaakte schoonheid verdwenen, tot vreugde der goden. Ze waren ooit onder ons, maar zijn nu gelukzalig geworden en zien ons niet meer staan.
---
Woorden in den Nacht
Voel je hoe ik naar je toe kom?
Je bent naakt in den nacht.
Wacht, ik doe eerst een doek om.
Nog niet, nog niet.
Liefkoos mij, zacht
Zeg dat je mij mooi vindt
En alleen door te streelen
In 't donker, mij ziet.
Zullen wij spelen,
Dat wie 't eerste lacht,
Moet ondergaan
Wat de ander bedacht?
O, laat het doorgaan,
Totdat wij doodgaan.
Alles wat hierna komt
Is niets dan Dood, vermomd
In schijn van Leven
Neem mij weer, wacht nog even.
J.Slauerhoff
Woorden in den Nacht opnieuw vertaald in proza:
In de stilte van de nacht klinken woorden die niet voor het daglicht bestemd zijn. Het zijn fluisteringen ontsproten uit een dieper domein, waar de menselijke ziel zich losmaakt van de banaliteit van het bestaan. Deze woorden dragen geen gewicht van alledaagse betekenis, maar zijn de fundamenten van een geheim, dat het tijdelijke met het eeuwige verbindt en het vergankelijke met het onbereikbare.
De dichter spreekt, maar zijn stem is niet enkel de zijne. Het is de echo van een verlangen dat door alle mensen heen gaat, het verlangen om gehoord te worden door iets dat groter is dan wijzelf. In de nacht, waar de grenzen tussen werkelijkheid en droom vervagen, dienen woorden als bruggen. Zij reiken naar het onbekende, naar de goden, naar de sterren die onverschillig schijnen en toch getuigen van onze roep. Maar deze woorden zijn ook breekbaar. Zij lossen op zodra de ochtend gloort, alsof de dag hen niet kan verdragen. Wat in de nacht een openbaring lijkt, wordt bij het eerste licht een herinnering, een schim. Toch blijft de mens ze uitspreken, omdat hij weet dat zonder deze nachtelijke woorden zijn bestaan leeg zou zijn. Die woorden in de nacht zijn niet louter klanken, maar krijgen het karakter van een filosofische daad, als een poging om het onzegbare te zeggen en het onbereikbare te benaderen. Zij zijn de stille getuigen van onze eindige aard en tegelijkertijd het bewijs dat wij, ondanks onze vergankelijkheid blijven zoeken naar zin en schoonheid.
---
Morgen rijd ik
Morgen rijd ik met bedwelmende bloemen naar je toe.
Ik wil niet langer wachten, eindelijk weten hoe
Je bent; de bloemen zullen je verraden.
Als je liefdeloos bent, zullen ze kwijnen en treuren;
Als je kwijnt van verlangen, heviger geuren;
Als je brandt van verlangen, hun knoppen scheuren
En jij in een groot gebaar al je gewaden.
J.Slauerhoff (Uit: Serenade III-1938)
Vertaling in proza:
Ik besluit niet langer te wachten. Er is een drang in mij om jou werkelijk te leren kennen, niet in de abstractie van verlangen, maar in de werkelijkheid van een ontmoeting. Daarom kom ik naar je toe en neem ik bloemen mee. Niet zomaar bloemen, maar dragers van een verborgen geheim, spiegels van jouw innerlijk. De bloemen zullen mij vertellen wie jij bent, want ze reageren op de waarheid van je hart. Indien jouw wezen koud en liefdeloos blijkt, zullen zij verwelken, hun schoonheid verliezen, alsof zij treuren om het gemis aan warmte. Indien jij daarentegen verscheurd wordt door verlangen, zullen zij sterker geuren, hun essentie intensiveren, alsof zij zich gaan verheugen op jouw naderende passie. En mocht jouw verlangen zo hevig zijn dat het brandt, dan zullen hun knoppen openscheuren, zich niet langer kunnen bedwingen, zoals jij in een opwelling van overgave je gewaden afwerpt en je ware zelf toont.
---
De Dooden en de Kinderen
Kom vaak bij ons. Jij die begint te leven
Verstaat ons 't best en bent het dichtste bij.
Een kerkhof vind je, evenals een wei,
Een plaats goed om te draven en te spelen.
Je praat met dingen die geen antwoord
geven,
Die enkel lachen, stil, lang, als de zon,
Er schaduwen als glimlachen doen zweven.
Ook grauwe steenen in een dartle bron
Zijn oude watermannen van heel vroeger;
Zij moeten stilstaan en zij lachen goedig
Als je, schoenen en kousen in de hand,
Over hun hoofden springt naar de'
overkant
Om toovenaars te zoeken in het woud.
Je gaat stil zitten op een dooden boom,
Wilt blijven kijken, maar slaap maakt je
loom.
Dan komen wij en worden even oud.
J.Slauerhoff
Vertaling van het gedicht De Dooden en de Kinderen in proza:
Het kind, dat net begint te leven, staat het dichtst bij de doden. Het begrijpt hen beter dan wie ook, omdat het nog geen scheiding voelt tussen leven en dood. Voor het kind is een kerkhof niet anders dan een weide, een plek om te rennen, te spelen en om te ontdekken. Het spreekt met dingen die zwijgen, maar die in hun stilte een soort glimlach dragen, zoals de zon die schaduwen werpt die lijken op lachende vreemdelingen. Zelfs de grauwe stenen van een bron zijn voor het kind geen koude materie, maar oude watergeesten uit een ver verleden. Zij staan versteend stil, maar hun stilstand is vriendelijk en ze lijken te lachen wanneer het kind, met schoenen en kousen in de hand, over hen heen spring naar de overkant. In het woud zoekt het kind tovenaars en wanneer het moe wordt en in slaap valt op een dode boom, komt er een moment van samenvallen. Als de doden naderen vloeien de dimensies in elkaar over en voor een ogenblik zijn zij even oud als het kind.
---
De Zee
De zee, het eenige leven dat strekt
Van begin tot einde
-Terwijl alle andre, voor kort gewekt,
Gedwee en weerloos verdwijnen-
Geeft in. eeuwige breking
De groote, zachte verzeekring
Dat, wanneer allen versterven, verstijven,
Zij bevallig zal blijven.
En als ik ga gehaast,
Genaderd en genaast
Door den jagenden dood,
Hoor in den troost
Van 't eendre golfgeruisch,
Dat is als het vermengd gejuich
Van al haar schipbreuklingen, al haar
meeuwen,
Aanbreken over de eeuwen,
Die mij verzwijgen en verteren.
Zij heeft geen andre vormen
Dan de borsten van haar golven,
En geen andre woorden dan de volle
Koren van haar branding en haar stormen.
Maar sidderend belijdt
Eik leven, hoe verfijnd
En schoon 't in 't licht verschijnt,
De wankele kortstondigheid
Van zijn bekoorlijkheid
Voor de geweldige eentonigheid van 't
grootsche
En de onsterfelijke lieflijkheid van 't
doodsche.
J.Slauerhoff
De zee is het enige leven dat zich uitstrekt van oorsprong tot einde. Terwijl alle andere vormen van bestaan slechts kort ontwaken en weer verdwijnen, blijft zij onophoudelijk aanwezig. In haar eeuwige golfslag schenkt zij een zachte, doch betrouwbare zekerheid, dat als alles verstilt en vergaat, zij nog altijd gracieus zal voortbestaan.
Wanneer mijn eigen einde nadert, opgejaagd door de dood, hoor ik in haar geruis een troost. Het geluid van de golven is als een samengevoegd gejuich van allen die ooit ten onder gingen in haar diepte, samen met het geschreeuw van de meeuwen. Het is een eeuwig koor dat zich over de eeuwen uitstrekt en dat mij zal opnemen, verzwijgen en verteren. De zee kent geen andere vormen dan de rondingen van haar golven, geen andere taal dan het gezang van storm en branding. En toch erkent elk leven, hoe verfijnd en schoon het ook in het licht verschijnt, zijn eigen broze kortstondigheid tegenover haar overweldigende eentonigheid. Want in die monotonie schuilt iets groots, namelijk de onsterfelijke lieflijkheid van het dode, dat in haar altijd weer hervormd en herhaald wordt.
---
Catastrophe
Hun vijver werd moeras,
Rust werd gevaar,
En nimfen zonken
Zwaar toen zij niet
Meer zwemmen konden.
Het bleekgroen riet
Week, door zwart poelgewas
Verstikt en overwoekerd,
Van de verwischte oevren.
Toen enklen bovendreven,
Gezwollen als verworgden,
De haren los,
Doken die overleefden
Dieper in 't bosch.
Maar steeds naar de ramp getrokken,
Zagen zij andere dooden
Die niet verdronken:
Zij die niet vloden,
Liggend in 't slib, de voeten
Domplend in drabbig water,
Een prooi voor iedren sater,
Wiens bronst hen komt bezoeken.
J.Slauerhoff
Catastrophe vertaald in proza:
Wat eens een vijver van rust was, een spiegel van stilte, keerde zich om in een moeras. Het vertrouwde water, dat ooit een toevlucht bood, werd een valstrik. Waar licht en speelsheid huisden, zonken de nimfen, zwaar geworden door hun eigen onmacht, niet langer in staat zich te verheffen boven de golven.
Het bleekgroene riet, dat ooit zacht meebewoog met de wind, werd week en verstikt. Zwart poelgewas kroop eroverheen, als een herinnering die niet meer gewist kan worden en de oevers, ooit helder en begrensd, vervaagden in een onherkenbare schaduw. Enkelen dreven nog boven, opgezwollen als verworgden, hun haren losgeslagen, een beeld van wat verloren ging. De overlevenden, bezwaard door het zien van dit lot, kozen niet voor de open vlakte maar doken dieper het bos in, alsof de duisternis veiliger was dan het licht. Toch bleef de ramp hen trekken. Want wie eenmaal getuige is van ondergang, kan zich niet losmaken. Zij zagen anderen, niet verdronken, maar evenzeer verloren, zoals zij die niet vluchtten, die bleven liggen in het slib, de voeten dompelend in troebel water. Daar, in die stilstand, werden zij een prooi. Niet voor de dood alleen, maar voor de sater, het symbool voor de onverschillige natuur, van de bronst die zich niet stoort aan tragedie. Het leven zelf, in zijn rauwe drift, bezoekt hen, terwijl hun lichamen in de modder wachten.
Ter overdenking van deze poëzie van Slauerhoff, vertaald in proza, wil ik nog een korte filosofische impressie toevoegen. Zo behoeft het moeras niet enkel gezien te worden als een plaats van ondergang, maar tevens als spiegel van de menselijke conditie. Want in elk bestaan schuilt het gevaar dat rust omslaat in verstikking en dat schoonheid wordt overwoekerd door duisternis. Toch toont juist dit beeld van verzonken nimfen en stilgevallen oevers hoe kwetsbaar wij zijn en hoe die kwetsbaarheid de kiem van vernieuwing draagt. Want uit het slib kan nieuw riet groeien, uit de drabbige wateren kan weer een vijver ontstaan. Zoals de sater onverschillig zijn bronst volgt, zo blijft het leven zelf zich voortzetten, ongeacht ramp of verlies. En in dat voortgaan ligt onze mogelijkheid, om niet slecht te hoeven verdrinken in het moeras, maar om het te zien als een cyclus waarin elke catastrofe ook de belofte van een nieuw begin in zich draagt.
---
Het Einde
Vroeger toen 'k woonde diep in 't land,
Vrat mij onstilbaar wee;
Zooals een gier de lever, want
Ik wist: geen streek geeft mij bestand,
En 'k zocht het ver op zee.
Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op den oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb
Naar 't verre, vaste, bruine land ...
Nu weet ik: nergens vind ik vree,
Op aarde niet en niet op zee,
Pas aan die laatste smalle ree
Van hout in zand
Jan Slauerhoff (Uit: Een eerlijk zeemansgraf, 1936)
Het Einde vertaald in proza, met een licht filosofische benadering:
Ooit, toen ik nog geworteld was in het binnenland, knaagde een onverzadigbaar verdriet aan mij. Het was als een roofvogel die de lever verscheurt, een diepe pijn die niet te stillen viel. Ik wist dat geen streek, geen horizon van akkers of bossen mij rust kon schenken. Daarom zocht ik mijn toevlucht in de zee, in het verre en onbegrensde.
Maar nu ik werkelijk ver gereisd heb en alleen lag op de oceaan, waar zelfs de verre eilanden Da Cunha en Sint-Heleen niet door de kimmen breken, voel ik een andere beweging in mij. Het is als de terugtrekking van het water bij eb, dat mij een gevoel van heimwee geeft naar het vaste, aardse, bruine land.
En zo wordt mij duidelijk, dat nergens vrede is te vinden. Niet in het binnenland, niet op de oceaan. De rust openbaart zich pas aan het uiterste einde, daar waar de laatste smalle strook van hout in zand ligt, de grens van het leven, het graf, de dood. Daar, in die smalle strook tussen aarde en eeuwigheid, onthult zich het definitieve zwijgen. Want het einde is geen vernietiging, maar de poort waardoor het onrustige bestaan zich uiteindelijk oplost in het tijdloze.
---
J.J.v.Verre.
Jan Jacob Slauerhoff, 5 oktober 1936 op zijn sterfbed in Hilversum.