donderdag 29 oktober 2026

De paardenbloem.

                                                                         


De eerste paardenbloemen verschijnen vaak bijna ongemerkt. Terwijl het grasveld zich nog herinnert hoe de winter over zijn halmen trok en hoe rijp en regen de aarde maandenlang in hun greep hielden, steken ineens die kleine, gele zonnen hun hoofd omhoog. De paardenbloem lijkt zich niets aan te trekken van de terughoudendheid waarmee de lente gewoonlijk begint. Waar andere bloemen aarzelend ontluiken, verschijnt zij met een bijna onbevangen levenslust. Haar geel is geen verfijnde kleur, geen ingetogen nuance, maar een stralende verklaring dat het seizoen van de groei is aangebroken.

Wanneer ik over het grasveld kijk, ervaar ik daarom een dubbel gevoel. Aan de ene kant is er de vreugde om die onverwachte kleur die het nog bleke voorjaar verlevendigt. De paardenbloem bezit een eenvoudige schoonheid, bijna een zekere vriendelijkheid, alsof zij het landschap een glimlach schenkt. Haar bloemhoofd vangt het licht en maakt van iedere zonnige ochtend iets feestelijks. In een veld vol groen brengt zij het goud van een nieuwe tijd.

Maar juist in die overvloed schuilt haar uitdaging. Want de paardenbloem kent geen bescheidenheid. Wat vandaag nog één enkele bloem lijkt, kan morgen al een hele verzameling zijn. Haar wortels reiken diep en haar drang om te groeien is opmerkelijk sterk. Zo ontstaat een merkwaardige verhouding tussen de tuinier en de bloem. Men bewondert haar en bestrijdt haar tegelijkertijd. Men verheugt zich over haar komst, terwijl men al nadenkt over haar verwijdering. Liefde en weerstand groeien er naast elkaar op, als twee halmen die uit dezelfde grond voortkomen.

Misschien wordt deze ambivalentie nog versterkt door de wonderlijke metamorfose die de paardenbloem ondergaat. Het felle geel, dat aanvankelijk zo nadrukkelijk aanwezig is, vervaagt langzaam. De bloem sluit zich, als een wezen dat zich in zichzelf terugtrekt. Dan, bijna onverwacht, verschijnt zij opnieuw, maar nu in een geheel andere gedaante. Waar eerst een gouden zon straalde, verheft zich nu een zilverwitte bol, samengesteld uit ontelbare fijne pluisjes. Het is alsof de bloem haar aardse kleur prijsgeeft om iets luchtigers te worden, iets dat al half tot de hemel behoort.

Die pluizenbol bezit een bijzondere schoonheid, omdat zij de vergankelijkheid zichtbaar maakt. Ieder pluisje wacht slechts op een zuchtje wind. Wat zo zorgvuldig bijeen werd gehouden, laat langzaam los. De bol wordt ijler en opener, totdat zij uiteindelijk uiteenvalt en haar pluisjes verdwijnen in de onzichtbare stromen van de lucht. Het leven van de paardenbloem openbaart zich daarin als een beweging van verschijnen, stralen, verdwijnen en terugkeren. Zij houdt niets vast. Haar toekomst ligt niet in het behoud, maar in de verspreiding.

Wanneer de wind de pluisjes meeneemt over het grasveld, zie ik daarin soms een weerspiegeling van het leven zelf. Ook wij beginnen als een geconcentreerde mogelijkheid, ontvouwen ons in kleur en aanwezigheid en laten uiteindelijk iets van onszelf achter in de wereld. Gedachten, herinneringen, daden en woorden waaien verder dan wij ooit kunnen overzien. Zoals de paardenbloem haar zaden toevertrouwt aan de wind, zo vertrouwt het bestaan een groot deel van zijn voortzetting toe aan krachten die buiten onze controle liggen.

Toch brengt die gedachte de tuinier in mij weer terug naar de werkelijkheid van het grasveld. Want ieder wegzwevend pluisje draagt de belofte van een nieuwe paardenbloem in zich. Dezelfde wind die schoonheid verspreidt, brengt ook woekering teweeg. Dezelfde natuur die bewondering oproept, vraagt soms om begrenzing. Zo bevind ik mij telkens opnieuw tussen waardering en ingrijpen. Met enige tegenzin trek ik een paardenbloem uit de grond, terwijl een andere, even verderop, mijn aandacht trekt met haar heldere lentegeel.

Misschien schuilt juist daarin haar diepste betekenis. De paardenbloem laat zien dat schoonheid niet altijd samenvalt met onze plannen. Wat wij liefhebben, is niet noodzakelijkerwijs datgene wat wij onbeperkt willen laten groeien. Het leven openbaart zich vaak juist in die spanning tussen verwelkomen en begrenzen. Zo blijft de paardenbloem voor mij een kleine leermeester van het voorjaar: een bloem die de aarde verguldt, zich omvormt tot een bol van lucht en licht en vervolgens, gedragen door de wind, de eeuwige neiging van het leven onthult om steeds opnieuw te beginnen.

Misschien is dat wel haar mooiste les: dat het leven zijn grootste schoonheid niet vindt in wat het vasthoudt, maar in wat het durft los te laten.


J.J.v.Verre.


donderdag 8 oktober 2026

Eindelijk.

Mumbai, de kleurrijke stad, de oude bedelaar met saffraan gele handen en kinderen die je aanklampen en niet meer loslaten en je smekend aankijken met die grote vragende ogen.


een oude hand

die naar mij wijst,

vergeelde vingers

van saffraanrijst


in lotushouding,

een gerimpeld gelaat,

tandeloos, bedelend

langs de drukke straat


kleurrijk Mumbai,

de stad die ons verwacht

op de toeristenwijzer

die armoede verzacht


magere kinderen

klampen ons aan;

hun ogen blijven achter

wanneer wij verdergaan


ze dragen voetbalhelden

op shirtjes die misstaan,

als verdorde velden

waar gewas bleef staan


ik voel mij teveel

in deze ongelijke stad,

geland als een mens

in het riool van een rat


wie ben ik daar?


ik ben Zijn

in verwondering

en in gedragen pijn


J.J.v.Verre.


 

maandag 5 oktober 2026

De dichter en de duivel.

                                                              

De afbeelding toont een dichteres die afdaalt in een onderwereld die lijkt op een duistere markt, waar menselijke verlangens, schuld en schaamte als handelswaar worden verbeeld. Vanuit de schaduwen leidt een stenen trap naar een warm verlicht landschap boven de grond, als symbool voor hoop, herstel en de mogelijkheid om aan de logica van macht en winst te ontsnappen. De sfeer is tegelijk dreigend en troostend: een reis door de hel waarin het menselijke licht niet volledig dooft.


Er is een huis dat je koopt zonder te weten dat het al naar jou keek voordat jij de sleutel omdraaide. Een huis dat niet alleen muren heeft, maar ook een diepte, een onderstroom, een kelder die geen kelder is maar een doorgang naar alles wat onder de wereld ligt te wachten. In de dichter en de duivel daalt een dichter af, maar misschien daalt zij vooral af in de taal zelf: naar de plekken waar woorden hun glans verliezen en hun waarheid beginnen te tonen.

Onder de vloer van het gewone leven blijkt een markt te bestaan waar mensen stukjes ziel verhandelen alsof het een valuta is, alsof schuld, verlangen en schaamte allemaal een prijskaartje dragen dat van de toekomst kan worden afgetrokken. Terwijl de dichter verder loopt, langs politici die hun eigen echo's verkopen en influencers die hun schaduw hebben ingeruild voor een licht dat niets verlicht, wordt de hel niet voorgesteld als een plaats van vuur. Zij verschijnt als een toestand van vermoeidheid, een wereld die te veel van zichzelf heeft gezien en toch blijft doorgaan.

Er is een moment, ergens halverwege de afdaling, waarop de dichter niet meer weet of zij nog in een kelder staat of al in een droom die haar heeft uitgekozen. De lucht wordt dikker, alsof taal zelf begint te condenseren tegen de muren. Het licht komt van nergens en toch is alles zichtbaar, maar op een manier die niet geruststelt. Alsof de dingen hun eigen geheimen fluisteren en de dichter slechts toevallig meeluistert. In deze onderwereld is niets wat het lijkt, en juist daarom voelt alles eerlijker dan boven. De mensen die zij ontmoet dragen hun zonden als sieraden, hun verlangens als schaduwen en hun angsten als kleine huisdieren die zij aan een touwtje met zich meedragen. Het groteske wordt intiem, het absurde bijna teder.

De duivel die haar tegemoet treedt is geen figuur van vuur, maar van inzicht. Geen verleider, eerder een onthuller. Een aanwezigheid die toont wat mensen zichzelf aandoen wanneer zij vergeten dat een ziel geen bezit is maar een beweging. Hij spreekt niet in bevelen maar in echo's, en in die echo's hoort de dichter iets wat zij herkent: de vermoeidheid van een wereld die te lang heeft geloofd dat waarde alleen bestaat wanneer zij gemeten kan worden. De hel blijkt geen plaats van pijn, maar van optelsommen. Een administratie van het menselijk tekort.

Toch wordt deze afdaling nergens echt cynisch. Marsman laat de dichter kijken met een blik die scherp is maar niet koud, woedend maar niet zonder liefde. In iedere ontmoeting, hoe grotesk ook, blijft een restje menselijkheid zichtbaar dat weigert te sterven. Alsof de hel niet zozeer een straf is, maar een spiegel die te lang niet is schoongemaakt. de dichter loopt verder, niet als een held, maar als iemand die weet dat kijken een vorm van verzet kan zijn. Dat taal een manier is om niet mee te doen aan de logica van macht, markt en ruis.

En juist daar, in de diepte, begint iets te glinsteren dat niet past binnen de logica van verlies. Geen groot visioen, geen plotselinge verlossing, maar een vreemd licht dat zich lijkt te verschuilen in een kier tussen twee stenen. Wanneer de dichter zich ernaar toe buigt, blijkt het geen licht te zijn maar een herinnering. De herinnering dat de mens, zelfs in een uitgeholde wereld, nog steeds in staat is tot een gebaar dat niet berekend is, een woord dat niet verkocht wordt, een liefde die niet hoeft te renderen.

Het mysterie van het menselijke blijft zich verzetten, zacht maar onverzettelijk, als een plant die door beton heen groeit zonder te weten dat het onmogelijk is.

Langzaam opent zich een andere mogelijkheid. Geen paradijs dat blinkt, geen utopie die zichzelf overschreeuwt, maar een rafelige ruimte waar mensen elkaar weer kunnen aanraken zonder dat er iets terugverdiend hoeft te worden. Een plek waar taal niet wordt gebruikt om te overtuigen, maar om te verbinden; niet om waarde te creëren, maar om aanwezigheid mogelijk te maken. Het is een wanordelijk paradijs, een onvoltooide schets. Misschien is dat precies wat hoop is: iets dat niet af hoeft  om waar te zijn. 

Wanneer de dichter uiteindelijk terugkeert naar de wereld boven, draagt zij niets tastbaars met zich mee. Geen inzicht dat zich gemakkelijk laat citeren, geen moraal die kan worden onderstreept. Alleen een trilling, een verschuiving, een weten dat niet helemaal in taal past maar wel in adem. Alsof de onderwereld haar heeft geleerd dat de grens tussen licht en duister niet loopt tussen hemel en hel, maar door de mens zelf. En dat juist in die schemering de waarheid woont: rafelig, onvolmaakt, maar onuitwisbaar levend.

Zo wordt De dichter en de duivel een boek dat ondergronds gaat om boven de grond iets te redden wat we bijna kwijt waren. Een laatste ademtocht die niet naar einde ruikt maar naar begin. Terwijl de dichter terugkeert, of misschien alleen maar verder loopt, blijft er een spoor achter dat niet uit woorden bestaat maar uit een gevoel dat zich moeilijk laat benoemen: dat zelfs in de diepte, zelfs in de hel, iets zacht blijft branden dat weigert te doven.

Misschien is dat ziel. Misschien is dat taal.

Voor mij is dit boek daarom als goud. Niet omdat het zekerheid biedt, maar omdat het waarde bewaart in een tijd die alles wil omzetten in rendement. Waar anderen misschien slechts een verhaal zien, zie ik een reserve van menselijkheid, iets wat standhoudt tegen inflatie van betekenis. In die zin is dit boek mijn goud-ETF: een opslagplaats van waarde die niet in cijfers te vangen is. En misschien is dat precies waar Marsman ons aan herinnert: dat wat werkelijk kostbaar is, zich uiteindelijk onttrekt aan iedere markt. Wat de dichter uit de diepte meebrengt, is uiteindelijk geen antwoord, maar een herinnering aan wat niet verloren mag gaan.

J.J.v.Verre.

Bronvermelding:

- De dichter en de duivel, Lieke Marsman, 9-6-2026, EAN: 9789493525146.

Kort na haar dood verscheen De dichter en de duivel, de laatste bundel van Lieke Marsman. Als een moderne Dante daalt zij af naar een onderwereld die verdacht veel lijkt op onze eigen samenleving. Politici, influencers en de permanente ruis van sociale media bevolken een werkelijkheid die tegelijk absurd en verontrustend herkenbaar is. Marsman observeert die wereld met een scherpte die soms aan satire doet denken. Tijdens het lezen voelde het alsof ik luisterde naar een oudejaarsconference, maar dan geschreven door een dichter die achter elke grap een existentiële vraag verborgen houdt.

donderdag 1 oktober 2026

Wachten zonder verlangen.

 

De nevel, het gras en de eenzame figuur vormen samen een soort visuele echo van het gedicht - een wereld waarin stilte niet leeg is, maar vol van adem en herinnering. De melancholie hier is niet somber, maar zacht, alsof de tijd zelf even stilstaat om te luisteren.


Wacht al te lang

weet te veel

maar doe niets


Keel voelt droog

mijn stem kraakt

maar zeg niets


Liefde was blind

lust is verlopen

maar voel niets


Eindelijk een licht

warm en stil

maar zie niets


Ademnood wacht nog

op een nacht

maar roept niets


Fluistert mijn stem

in tere stilte

maar weet niets


Draai mijn hoofd

zoek de beker

maar kan niets


Zoek mijn kind

voel de massa

maar draag niets


Sluit mijn ogen

wacht op iets

maar verlang niets.


J.J.v.Verre.







maandag 21 september 2026

Het verbloemde lijden.

 

Het schilderij Het verbloemde lijden van Wendela Westenburg, acryl op hout, april 2007.


Het schilderij Het verbloemde lijden ontvouwt zich als een innerlijke kamer waarin pijn niet rechtstreeks wordt getoond, maar gefragmenteerd en verhuld, in kleur en vorm uiteengelegd, alsof het lijden zelf een mozaïek is dat niet in één blik te vangen valt.

Wat opvalt, is hoe de drie figuren niet simpelweg naast elkaar staan, maar in elkaar grijpen als schakels van eenzelfde emotionele structuur. Hun lichamen bestaan uit gebroken vlakken, scherpe hoeken en afgeronde scherven, alsof ze niet uit vlees zijn opgebouwd, maar uit herinneringen en ervaringen die in stukken zijn gevallen en opnieuw zijn samengevoegd.

Die geometrische breuklijnen suggereren dat lijden niet lineair is, maar gelaagd: een mens kan tegelijk gebroken en dragend zijn, tegelijk aanwezig en verscholen.

De kleuren dragen die dubbelzinnigheid verder. Het rood pulseert als een onderhuidse wonde, het blauw ademt verstilling, het groen probeert te herstellen en het beige zoekt naar neutraliteit - maar niets staat op zichzelf. Elke kleur raakt een andere, vloeit erin over, wordt door een zwarte contour begrensd en toch ook weer doorbroken.

Dat maakt het lijden ‘verbloemd’: het wordt niet ontkend, maar omhuld door esthetiek, ritme en een ordening die zich bijna tot glas-in-lood verheft. Alsof het lijden zich langzaam tot vorm verzamelt en het pijnlijke herschept tot iets wat bekeken kan worden zonder eraan ten onder te gaan.

De zwarte lijnen functioneren als littekens: ze houden de figuren bijeen, maar tonen tegelijkertijd waar de breuken liggen. Ze zijn streng, maar niet vijandig - eerder een structuur die voorkomt dat alles uiteenvalt. De stralende patronen rondom de figuren suggereren beweging, een innerlijke energie die ondanks het lijden blijft stromen. Alsof het schilderij fluistert dat pijn niet het einde is, maar een fase van transformatie.

In de onderlinge verstrengeling van de drie figuren schuilt misschien wel het meest wezenlijke: lijden is zelden solitair. Het echoot tussen mensen, wordt gedeeld en gedragen en soms, onbewust, doorgegeven. De figuren lijken elkaar te ondersteunen, maar ook te belasten - een ambivalentie die het schilderij niet probeert op te lossen, maar juist eer aandoet door haar zichtbaar te maken.

Zo wordt Het verbloemde lijden een beeld van menselijke kwetsbaarheid die niet schreeuwt, maar zingt in gebroken akkoorden. Het is een stille erkenning dat schoonheid en pijn vaak uit dezelfde bron voortkomen en dat het verbloemen van lijden niet altijd een ontkenning is, maar soms een manier om het draaglijk te maken.

Misschien schuilt daarin ook de diepste betekenis van het schilderij: wat verborgen wordt, verdwijnt niet, maar krijgt een andere vorm - en soms is het juist in die nieuwe vorm dat het lijden zichtbaar, voelbaar en uiteindelijk draaglijk wordt.


J.J.v.Verre.

dinsdag 15 september 2026

Waarom ik Amerika afwijs.

 

Een man staat aan de rand van een klif, zijn rug naar ons toegekeerd, terwijl hij uitkijkt over een mistige kloof naar een glanzende stad aan de overzijde - het symbool van een wereld die hem lokt, maar waarin hij zichzelf niet wil verliezen. Tussen hem en die stad wappert een gescheurde Amerikaanse vlag, als de verbeelding van een verscheurde gedachte: tussen vooruitgang en geest, tussen het licht van de moderniteit en de stilte van de ziel.


Er is een wereld die schittert in glas en staal, een wereld die zichzelf voortdurend opnieuw uitvindt in de snelheid waarmee zij haar eigen schaduw voorbij wil rennen. Men noemt haar Amerika, maar in werkelijkheid is zij minder een land dan een houding; een ademhaling die te snel gaat voor wie nog weet wat het betekent te luisteren naar de trage polsslag van de geest.

Het merkwaardige is dat Menno ter Braak die wereld afwijst zonder haar ooit met eigen ogen te hebben gezien. Zijn Amerika is geen geografische plek, maar een geestelijke projectie, een spiegel waarin hij de contouren herkent van een moderniteit die hem benauwt. Juist omdat hij er nooit is geweest, kan hij Amerika lezen als een symbool, ontdaan van de verzachtende details van ervaring: een idee dat scherper snijdt dan een landschap dat men werkelijk heeft betreden.

Wanneer hij zegt dat hij Amerika afwijst, wijst hij geen continent af, geen volk, geen vlag. Hij wijst een manier van bestaan af die hem voorkomt als een voortdurende vlucht voor de diepte, een weigering om de tragiek van het mens-zijn onder ogen te zien. In Amerika, zoals hij het ziet, wordt de mens niet langer aangesproken op zijn innerlijke ruimte, maar op zijn bruikbaarheid, zijn snelheid en zijn vermogen zich aan te passen aan een ritme dat geen stilte duldt.

Het is een wereld waarin het individu oplost in de massa, waarin het gezicht vervaagt tot een functie en de ziel wordt gemeten in productiviteit en succes. Juist dat benauwt hem: dat de mens zichzelf verliest in een glans zonder diepte, in een licht dat niets verlicht behalve de buitenkant.

Europa daarentegen draagt, hoe gebroken ook, nog de herinnering aan een geest die zichzelf durft te bevragen, die niet bang is voor tragiek en die beseft dat de mens niet gemaakt is om voortdurend vooruit te hollen, maar ook om stil te staan en te luisteren naar de echo van zijn eigen vragen. In die echo schuilt een vrijheid die Amerika volgens hem niet kent: de vrijheid om niet efficiënt te zijn, om niet te hoeven schitteren, om niet te worden opgeslokt door het ritme van de massa.

Het is de vrijheid van de innerlijke strijd, van nuance en twijfel, een twijfel die niet vernietigt maar verdiept. Misschien is het juist omdat hij Amerika nooit heeft bezocht dat hij Europa des te helderder ziet: niet als een verzameling landen, maar als een geestelijke ruimte waarin de mens nog mag struikelen, twijfelen en zoeken.

Ter Braak ziet in Amerika een wereld die de mens wil bevrijden van zijn zwaarte, maar hem daarmee ook berooft van zijn diepte; een wereld die de tragiek wil genezen en daardoor tevens de mogelijkheid tot betekenis ondermijnt. Zijn afwijzing wordt zo geen afkeer, maar een waarschuwing: een zacht maar dringend pleidooi voor een mensbeeld dat niet wordt gereduceerd tot snelheid en nut.

Hij ziet hoe de moderne tijd, met Amerika als glanzende voorhoede, de mens verleidt tot een bestaan waarin hij zichzelf vergeet, waarin zijn innerlijke ruimte wordt verwaarloosd omdat zij niet rendeert. En hij vraagt zich af wat verloren gaat wanneer een cultuur geen plaats meer heeft voor het onhandige, het tragische, het onvolkomene en het onvoltooide - voor alles wat de mens tot mens maakt.

Misschien is dat de kern van zijn essay: niet dat hij Amerika echt afwijst, maar de verleiding om menselijkheid te verruilen voor efficiëntie, diepte voor snelheid en de ziel voor de schittering van een wereld die alles verlicht behalve haar binnenste. Zijn woorden herinneren eraan dat vooruitgang zonder innerlijke ruimte slechts beweging is, geen richting; dat een wereld die geen tragiek kent ook geen betekenis kan dragen; dat de mens, hoe modern hij ook wordt, altijd zal verlangen naar meer dan nut, succes of het ritme van de massa.

Hij verlangt naar een plaats waar de geest nog kan ademen, waar de stilte nog spreekt en waar de mens niet wordt gemeten, maar gezien.


J.J.v.Verre

vrijdag 11 september 2026

Het huis dat mij onthield.

 

Deze door AI gegenereerde afbeelding toont een jongenskamer die ooit de mijne had kunnen zijn. Misschien is het juist daarom dat ze zo vertrouwd aanvoelt: alsof een vergeten kamer uit mijn verleden voor even weer zichtbaar is geworden.

Ik droomde vannacht dat ik weer op mijn oude jongenskamer sliep.

Aan de muur hingen de vlaggetjes die ik vroeger spaarde, met punaises vastgezet. Ik zag de contouren van het raam, de gordijnen en mijn wastafel heel duidelijk. Ook mijn bed en het balkon waren er weer.

Tijdens het ontdromen - de fase waarin de droom langzaam van je afglijdt - vroeg ik mezelf af of ik in mijn gevoel dan ook weer iemand van twaalf jaar zou kunnen zijn.

Het mooie aan zulke dromen is dat ze je niet simpelweg terugwerpen in een oude kamer, maar in een oud bewustzijn. Je staat daar niet als een volwassen man die een decor uit het verleden bekijkt; je beweegt door een ruimte die ooit jouw wereld was: jouw schaal, jouw horizon. En in die overgang tussen slapen en ontwaken - dat zachte, halfdoorlatende gebied - kan je gevoel inderdaad even de leeftijd aannemen die bij die kamer hoort.

Niet omdat je werkelijk twaalf bént, maar omdat je innerlijke tijd niet lineair is. Je draagt al je leeftijden tegelijk met je mee. Soms schuift er één naar voren, zoals een dia in een projector, en dan kijk je weer door de ogen van het kind dat vlaggetjes spaarde en de contouren van een raam als een soort veilige grens herkende.

In dromen is identiteit vloeibaar. Je lichaam ligt in Otterlo, maar je gevoelsleven kan moeiteloos terugkeren naar een staat waarin de wereld nog kleiner was, intenser, directer. Het is niet zo dat je jezelf opnieuw wordt; het is eerder dat je even toegang krijgt tot een oude laag van jezelf - een laag die nooit verdwenen is, maar meestal stil onder de oppervlakte ligt.

En misschien is dat wel het wonderlijke: dat je tijdens het ontdromen merkt dat die twaalfjarige nog steeds in je woont. Niet als nostalgie, maar als een levende, voelbare aanwezigheid.

Misschien zijn we nooit helemaal weggegaan uit de kamers waarin we ooit kind waren. We dragen ze met ons mee, als stille kamers van binnen, en soms opent een droom de deur - zodat we even weer kunnen voelen wie we daar waren.

J.J.v.Verre.