donderdag 5 maart 2026

De taal van verbonden handen.

 

Het fluisteren van verbonden handen in een dans van herstel en overgave. Foto Erwin Olaf, tentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam t/m 6-4-2026.


In deze twee handen ontvouwt zich een ontmoeting die groter is dan het moment zelf. Het is alsof de ziel even zichtbaar wordt in de manier waarop huid, spanning en zachtheid elkaar raken. De ene hand reikt, de andere antwoordt, niet als gebaar van bezit, maar als een belofte van vertrouwen. Er zit een stille choreografie in dit contact: een dans die niet begint bij de fysieke wil, maar bij de innerlijke beweging van twee wezens die elkaar willen verstaan. De vingers lijken te luisteren, te tasten naar een waarheid die niet in woorden past.

In hun naderende aanraking ontstaat een ruimte die bijna heilig aanvoelt, een plek waar kracht en kwetsbaarheid elkaar niet tegenspreken, maar elkaar verheffen. Alsof het universum even door de huid heen ademt en toont dat in dit gebaar een oeroude verbondenheid ontwaakt. Wat mij in deze foto het diepst raakt, is de volgende interpretatie: de fotograaf toont hoe deze twee mensen, midden in een balletuitvoering die discipline en beheersing vraagt, toch een moment vinden waarin puur menszijn doorbreekt. Een moment waarin aanraking geen beweging is, maar betekenis.


J.J.v.Verre.

Kom terug.

 

beschadig me, beschimp me, bespot me, bespuug me, verneder me, veracht me, pijnig me, breek me, steek me, pest me, vertrap me, verwond me, kleineer me, chanteer me, lieg me, bedrieg me, ontwijk me, bezeik me, verleidt me, berijdt me, verbrandt me, verteer me, kruisig me, begraaf me, maar kom terug.


beschadig me, breek me, bespot me,
met de wreedheid van een god die speelt
bespuug me als stormregen op een dorstig veld
verneder me tot ik niets ben dan lucht
maar kom terug

pijnig me, splijt me, steek me met je stilte,
verwond me met je afwezigheid
vertrap me als aarde
die smeekt om jouw voetstap
maar kom terug

bestuif me als asregen,
uit een uitgebluste hemel
verstrooi me als licht,
dat door een prisma treedt
maar kom terug

verwens me tot de vele sterren,
die hun naam zijn vergeten
verduister me als een maan,
die haar glans niet wil verliezen
maar kom terug

verjaag me als echo's,
die te lang hebben gezweefd
laat me trillen onder het gewicht
van jouw onverbiddelijke gemis
maar kom terug

chanteer me met je schaduw,
kleineer me tot een huivering in de nacht
bedrieg me met honing die brandt,
lieg me tot ik dronken ben van jouw illusie
maar kom terug

verleid me, verteer me, brand me tot licht,
verslind me tot vonk
kruisig me in jouw naam, begraaf me in jouw geur
maar, o goddelijke wreedheid, liefste van me
alsjeblieft, kom terug in bed


J.J.v.Verre.



zaterdag 28 februari 2026

Tussen twee tijden.

 

Een schemerlandschap tussen nacht en ochtend. De lucht vloeit van diep violet naar zacht koper. In het midden staat een androgyn silhouet, open en gespannen tegelijk, alsof het lichaam zelf een woordloos gebed is. Rondom hen bewegen zachte lichttinten die aantrekken en afstoten in één adem. De grond pulseert warm, als een gloeiende herinnering. In de verte staat een tweede aanwezigheid, een vorm van licht net buiten bereik. De ruimte tussen beide figuren trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt.


Er zijn kortstondige ogenblikken die zich niet laten vangen in de lineaire logica van tijd. Ze bestaan niet vóór of ná, maar ertussen, als een zucht die weigert te verdwijnen, als een trilling die zich nestelt in de poriën van het bestaan. In zo'n moment staat een figuur, niet als subject of object, maar als overgang. Niet als mens, maar als mogelijkheid.

De ruimte waarin dit wezen zich bevindt is geen landschap in geografische zin, maar een veld van betekenis. De lucht is geen atmosfeer, maar een geheugen van licht. Alles ademt verwachting, maar zonder enige vorm van belofte. De horizon is geen grens, maar een vraag: wat blijft, als alles voorbijgaat?

De figuur zelf is een paradox, tegelijk open en gesloten, verlangend en terughoudend, aanwezig en afwezig. De armen zijn uitgestrekt, niet in overgave, maar in hunkering. Niet om te ontvangen, maar om te bevestigen dat er iets was, iets is, iets blijft. Rondom hen cirkelen stroken licht, als herinneringen welke zich niet laten reduceren tot verleden, maar zich gedragen als actieve krachten, magnetisch, dwingend en teder.

In de verte staat een tweede gestalte, vaag, bijna opgelost in het licht. Geen antwoord, geen oorsprong, maar een spiegel van verlangen. De afstand tussen hen is geen fysieke scheiding, maar een ethische ruimte: het domein van wat nog niet is, maar zou kunnen zijn. Het domein van het bijna, dat in zijn onvoltooidheid een vollediger waarheid draagt dan het reeds.

Zo wordt het landschap een metafoor voor het menselijk bewustzijn: een plek waar de tijd niet heerst, maar huivert. Waar de herinnering geen archief is, maar een levend organisme. Waar de liefde geen bezit is, maar een beweging, een kruispunt van licht en schaduw, van hoop en verlies, van aanwezigheid en het verlangen naar terugkeer.

Wat zich hier afspeelt is geen ontmoeting, maar een ontregeling. De figuur in het midden is geen hoofdrolspeler, maar een drager van potentie, een gestalte die niet handelt, maar ondergaat. Niet als slachtoffer, maar als getuige van een kosmisch spel waarin nabijheid en verlies elkaar voortdurend afwisselen. En terwijl het spel zich herhaalt in steeds subtielere spiralen, beseft het universum dat zelfs zijn eigen adem een poging is om het onzegbare te raken. En ergens in die voortdurende wisseling, waar begin en einde elkaar niet meer herkennen, ontvouwt zich een zachte fluistering die suggereert dat zelfs het oneindige soms verlangt naar een ander ritme.

De ruimte trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt. Alsof elke ademstoot van de aarde een poging is om het verlangen zelf vorm te geven, een pulserende herinnering dat zelfs stilte een richting kent. En in die trilling, waar verlangen en herinnering elkaar voortdurend herscheppen, lijkt het alsof het schouwspel wacht op een beweging die nog niet is gekozen, maar al voelbaar door de huid van het moment glijdt. Alsof het precies daar, in dat nauwelijks waarneembare verschuiven, een nieuwe mogelijkheid zoekt om zich te tonen. Een kiem van betekenis die nog geen naam draagt maar al wel gewicht heeft in het weefsel van het licht. En zo blijft het moment hangen, niet als antwoord, maar als een belofte van wat zich ooit opnieuw zou kunnen ontvouwen.


J.J.v.Verre.


woensdag 18 februari 2026

De Tijdmachine.

 

Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht die niets wil veranderen, maar slechts wil bewaren wat in die nacht nog nagloeit. Want sommige momenten zijn geen verleden, maar een trilling die blijft bestaan als een zucht tussen twee tijden.


Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht, niet om te keren wat geweest is, maar om te bewaren wat nog gloeit.

Een ademtocht van as en licht, een trilling tussen twee tijden, waar liefde niet verdwijnt, maar blijft hangen in het duister.

Geen knoppen, geen schermen, alleen herinnering als brandstof, en verlangen als kompas.

Want sommige nachten zijn geen verleden, maar een belofte die weigert te sterven.


J.J.v.Verre.



dinsdag 3 februari 2026

Lentedag.

 

Zonlicht valt door een smalle spleet in verduisterende gordijnen op een nog stille slaapkamer en geeft met zijn warme gloed en zachte schaduwen, een serene sfeer van ontwaken.


Door een spleet in de verduistering kust het ochtendlicht mijn oogleden. Wakker worden is een proces dat dagelijks geschiedt, maar nooit helemaal begrepen wordt. Flarden droomresten ontsnappen uit je geheugen, en herboren worden in een nieuwe dag is een feit. Gisteren is nu echt voorbij en komt alleen gehavend terug in herinnering. En dan, in dat stille tussenliggende moment waarin je nog niet helemaal teruggekeerd bent in je lichaam van de vorige dag, lijkt het leven even te pauzeren. Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt. Je voelt hoe het licht je opnieuw vormt, hoe elke straal een zachte invitatie is om weer deel te nemen aan het ritme van ons dagelijks bestaan.

De kamer om je heen is nog is nog half schaduw, half belofte. Buiten beweegt de dag zich al voort, maar binnen heerst een serene rust, een soort innerlijke lente die niet afhankelijk is van seizoenen. Je beseft dat elke ochtend een kans is om opnieuw te beginnen, niet omdat gisteren vergeten moet worden, maar omdat het zich heeft teruggetrokken tot een geschiedenis die je met je meedraagt. In dat besef ontstaat een liefdevolle dankbaarheid voor het licht dat je wakker maakt. Voor de dromen die jou loslaten. Voor de tijd die zich steeds weer ontvouwt, geduldig en zonder oordeel. En terwijl je opstaat, voel je hoe de dag zich opent als een deur die nooit op slot heeft gezeten. Je stapt er doorheen, niet als iemand die iets achterlaat, maar als iemand die iets meeneemt: het stille weten dat elke ochtend een kleine wedergeboorte is, een respons van het leven dat zegt: begin maar weer, ik ben er nog steeds. En zo draag je, bijna onopgemerkt, het zachte bewijs met je mee dat elke dag niet alleen begint, maar jou ook opnieuw laat beginnen. Terwijl je opstaat om de lentedag te begroeten, merk je hoe het licht in jou hetzelfde doet als buiten: het groeit zonder haast, alsof het precies weet waar het heen wil, en jou zachtjes herinnert aan de mystieke kunst om jezelf elke dag opnieuw te zijn. En in dat geruisloze groeien herken je iets vertrouwds, alsof het leven zelf even met je meeloopt en bevestigt dat elke dag niet vraagt om verandering, maar om aanwezigheid. Een aanwezigheid die kalm is, maar vastberaden, die zich niet hoeft te bewijzen, die niet zoekt naar erkenning, en zich kan tonen in het eenvoudige en oprechte. Het nestelt zich in het ritme van het alledaagse, in een blik die blijft hangen, een hartslag welke niet versnelt, in een leegte die vol is van hernieuwde levenslust. In dat samenvallen met jezelf ontvouwt zich de eenvoud die niets verlangt, volledig geïncorporeerd in dat ene moment.


J.J.v.Verre.

zondag 18 januari 2026

Niets is voor altijd.

Alles is niet voor altijd, maar altijd maar voor even. Je vindt iets moois, je draait je om en bent het kwijt. Je komt er,  't is niet anders, steeds meer achter in je leven. Niets is voor altijd. Ik dacht dat jij en ik voor altijd zou gaan duren. We zouden samen zijn en blijven tot in alle eeuwigheid. En inderdaad, de lange jaren samen leken korte uren. Maar niets is voor altijd. Het duurt niet lang, dan zijn we slechts herinneringen. Als ooit in steen gevangen wezens uit het Pleistoceen of Krijt. Als nooit door mensenoog geziene lang verdwenen dingen. Niets is voor altijd. Ooit droogt de zee, ooit zal de zon zelfs doven. Ooit komt er een einde aan de tijd. Dan zal er zelfs geen God meer zijn om in te hoeven geloven. Dan is het leven van het leven zelf bevrijd. Toch is er iets wat altijd rond zal blijven zingen. Een verre ijle toon van weemoed en van spijt. Om alle mensen en de dwaze wegen die ze gingen. Dat blijft altijd. Dat blijft altijd.
                                                           Jeroen van Merwijk.



En toch zijn er dagen die zich in je geheugen vastzetten alsof ze weigeren te verdwijnen. Het was halverwege januari, zo’n winterdag waarop de wereld stil lijkt te staan. In zo'n maand die eindeloos lijkt. De lucht was helder en koud, het licht bleek en laag, en de aarde lag in een soort ingehouden adem. De bomen stonden naakt tegen de hemel, alsof ze hun laatste restjes trots hadden afgelegd. In die winterstilte voelde ik dat er iets in mij verschoof. Niet abrupt, maar als een trage, diepe beweging onder de oppervlakte. Mijn lichaam reageerde anders dan ik gewend was. De energie die vroeger vanzelfsprekend door me heen stroomde, kwam nu in schokjes. Soms krachtig, soms onverwacht broos. Ik merkte het aan mijn dromen, aan mijn concentratie, aan een onverklaarbare vermoeidheid die zich in mijn botten nestelde. Stramheid in de benen bij het opstaan, wat ik nog als klacht van mijn opa herinnerde. Ik stond op de rand van iets nieuws. Maar ik wilde het niet zien.

Zoals veel mannen deed ik wat ik altijd deed, ik ging gejaagd door. Ik werkte te hard, ik zweeg, ik lachte het weg. Ik vertelde mezelf dat het de winter was, de kou, de donkere dagen. Maar het schuurde. Mijn geheugen liet me soms in de steek, mijn lichaam voelde warmer dan de winterlucht toeliet, en ergens diep vanbinnen wist ik, dit is geen seizoen dat buiten weer voorbijtrekt, nee dit is een seizoen ín mij. Een jaargetijden opmaak ter voorbereiding op de herfst. Er brandde iets in mij dat de winter niet kon blussen, en toch voelde ik mij kouder dan sneeuw, killer dan ooit. En diep in de duisteren spelonken van mijn bewustzijn kwam iets langzaam bovendrijven, iets dat onvoldoende was weggestopt. Iets dat mijn toiletspiegel me al op sommige ochtenden probeerde te vertellen.

Het moment was daar. Ik moest erkennen dat mijn jeugdige vanzelfsprekendheid aan het verschuiven was. Niet als verlies, maar als overgang. Toch voelde het eerst als een vijand, alsof een deel van mijn identiteit langzaam uit mijn handen gleed.

Men zegt dat je verandering moet omarmen. Maar een man is vaak opgevoed om te beheersen, te sturen, te fiksen. En verandering laat zich niet fiksen. Ons brein, dat oude mechanisme, ziet het nieuwe als gevaar. Pas later, wanneer de eerste schrik is gezakt, kunnen we zien dat het geen bedreiging was, maar een uitnodiging tot verdieping.

We weten het eigenlijk al: niets blijft voor altijd. Alles beweegt. Alles verandert. En toch klampen we ons vast aan wat we kennen, aan kracht, aan ritme, aan het idee van controle. Maar vasthouden maakt je moe. Het leven vraagt om meebewegen, als een rivier die haar loop volgt zonder te weten waar ze uitkomt. Soms verandert de stroom van richting zonder dat je het moment van omslag hebt gevoeld. Soms voelt het alsof je over ijs loopt dat kraakt, soms zak je even door je eigen weerstand heen. Maar zelfs dat hoort bij het man-zijn in transitie.

Wanneer je er middenin zit, lijkt het eindeloos. Alsof het nooit meer lichter wordt. Maar zelfs in januari, wanneer de dagen kort zijn en de kou diep, keert het licht langzaam terug. Na elke nacht komt een dag. Na elke winter een nieuwe lente. Na elke schok een nieuw evenwicht.

Dus leef in het moment. In harmonie met wat je dierbaar is. Zet bewust je volgende stap en transformeer stap voor stap. Dag na dag. Kleine bewegingen worden grote verschuivingen. Kijk met mildheid naar binnen, iets wat mannen vaak vergeten. Wat vraagt om aandacht? Wat wil gezien worden? Welke oude overtuiging mag eindelijk in het licht?

Zorg voor je lichaam, dat trouwe werktuig dat je door het leven draagt. Voed je goed. Rust. Beweeg. Adem dieper dan je onbewust doet. Probeer afscheid te nemen van toxische genotmiddelen Maar vul het ook met vreugde, zoals lachen, soms huilen, de natuur in, iets bouwen met je handen, iets nieuws leren, de wereld weer bekijken met de nieuwsgierigheid van een jongen. Wat die jongen blijf je ook na transitie. Want uiteindelijk is dat de essentie van elke mannelijke verandering, om je niet te verliezen in wie je was, maar terug te keren naar wie je bent geworden. En zo leerde ik, midden in de winter, dat elke man pas werkelijk groeit wanneer hij het nieuwe toelaat als een stille vlam in zijn eigen hart.

J.J.v.Verre.


zondag 21 december 2025

Vleugels die over de polder waaien.

Windmolens in de Noordoostpolder. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos.


De Noordoostpolder spreidt zich uit als een vlakke bladzijde, een open boek waarin de mens zijn tekens heeft achtergelaten. Waar ooit de zee haar golven liet rollen, staan nu de hoge wachters van de wind. Molens, die hun wieken spreiden als vleugels boven het land. Zij draaien niet slechts om energie op te wekken, maar om een gesprek te voeren met de eeuwige kringloop van lucht en tijd. Elke wiek is een gebaar, een cirkel die de tijd tekent. Het is alsof de molens de polder optillen uit zijn horizontale stilte en hem verbinden met een kosmische beweging. De wind, onzichtbaar maar voelbaar, wordt zichtbaar in hun draaiing. Zo wordt het ongrijpbare tastbaar en krijgt het vluchtige een vorm. De boer die zijn akker bewerkt, ziet hoe de molens boven hem hun wals uitvoeren. Hij weet dat zijn arbeid geworteld is in de grond, maar dat de molens hem herinneren aan de lucht, aan het onbegrensde. Het zijn vleugels die niet wegvliegen, maar blijven, verankerd in beton en staal en toch voortdurend in beweging. Zij zijn de schijnbare tegenstrijdigheid van het bestaan, zowel vast als vluchtig en zowel aards als hemels. De polder zelf lijkt te luisteren. Het water in de sloten rimpelt mee, de vogels trekken soms roekeloos hun lijnen langs de wieken en de horizon wordt een toneel waar mens en natuur elkaar ontmoeten. De molens zijn geen indringers, maar nieuwe bomen van een ander bos, een futuristisch bos dat niet groeit in wortels maar in cirkels van lucht. En zo wordt de Noordoostpolder een plaats van resonantie. Hier waait de wind niet slechts over het land, maar door de ziel van wie kijkt en luistert. De molens zijn vleugels die ons herinneren dat wij deel uitmaken van een groter geheel. Zij fluisteren dat vooruitgang niet het einde van traditie is, maar een nieuwe vorm van verbinding. Wanneer de avond valt en de zon zijn wieken rood kleurt, lijkt het alsof de polder zelf opstijgt. Niet letterlijk, maar in spirituele betekenis, als een verheffing van het vlakke naar het verhevene. Vleugels, die over de polder waaien, dragen niet alleen energie, maar ook een gelofte dat de mens, in zijn streven naar licht en kracht, steeds opnieuw de harmonie kan vinden met het Al. Dit verhaal is bedoeld als beschouwing die de windmolens niet enkel technisch of functioneel benadert, maar ze plaatst in een filosofisch en poëtisch kader. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos. Ik kijk omhoog. Geen reuzen, maar machines. De wieken draaien traag en machtig, maar nog steeds zijn ze een ontsiering van het polderlandschap in mijn beleving van de natuur. Misschien is mijn beleving nog te conservatief en wil ik iets blijven zien, zoals een molen op romantische schilderijen. Hoe poëtisch je die reuze molens ook zou kunnen beschrijven. In je liefde voor poëtisch proza kun je alles romantiseren, zelfs een reus.

 J.J.v.Verre