zondag 6 september 2026

Aardappelen.

 

Afbeelding van het schilderij Stilleven met aardappelen van Vincent van Gogh 1889. Kröller-Müller Museum, Otterlo.

De aardappel is een vorm van aarde die zich tot voedsel heeft verdicht: een stille concentratie van donkerte en geduld. Hij ontstaat niet door een explosie van groei, maar door een langzame verzadiging. De grond ademt hem uit, als een gedachte die zich langzaam materialiseert. In zijn huid draagt hij nog de korreligheid van de bodem, een herinnering aan het element waaruit hij is voortgekomen. Wie hem in handen houdt, voelt iets van die oorsprong, alsof de aarde zelf even wordt aangeraakt.

Misschien is dat waarom de aardappel zo’n bijzondere plaats inneemt in het menselijke bestaan. Hij is geen vrucht die zich boven de grond verheft, geen plant die haar schoonheid aan de lucht toont. Hij kiest voor het verborgene, voor het onzichtbare werk dat zich onder de oppervlakte afspeelt. En juist daarin lijkt hij op ons: ook wij dragen onze groei vaak in stilte, in lagen die niemand ziet, in gedachten die pas later aan de oppervlakte komen. De aardappel is een spiegel van het onopgemerkte, van het leven dat zich vormt zonder dat het onmiddellijk begrepen hoeft te worden.

Wanneer hij uiteindelijk wordt opgegraven, komt hij tevoorschijn als een kleine, compacte belofte. Niet luid, niet trots, maar aanwezig op een manier die bijna ontroerend is. Hij heeft geen behoefte aan pracht of praal; zijn waarde ligt in zijn eenvoud. In tijden van overvloed wordt hij bijna vergeten, maar in tijden van schaarste blijkt hij een trouwe metgezel, een stille redder die de mens door moeilijke seizoenen heen draagt. Zo laat hij zien dat juist het meest bescheiden vaak het meest standvastig is.

In de keuken ontvouwt de aardappel zijn tweede leven. Hij laat zich koken, stampen, poffen en bakken, zonder ooit zijn essentie te verliezen. Beroemd geworden als frites in de fastfoodwereld, laat hij zich in dunne, goudkleurige stroken snijden en geeft hij zich zonder protest over aan het sissen van de olie. Hij is een soort voedsel dat zich niet verzet tegen transformatie, maar zich er zachtjes aan overgeeft. Misschien is dat wel de diepste les die hij ons leert: dat eenvoud niet betekent dat iets arm is, maar dat het ruimte laat voor vele vormen van vervulling. De aardappel is als een soort innerlijke ademhaling, een rustpunt in een wereld die steeds sneller draait.

En zo wordt hij meer dan een knol. Hij wordt een verhaal over oorsprong, over verborgen groei en over de kracht van het ongecompliceerde. Een herinnering aan het feit dat het voedende vaak ontstaat uit het stille, uit het donkere, uit datgene wat zich langzaam verdicht tot iets dat ons draagt. In de aardappel proeven we niet alleen de aarde, maar ook iets van onszelf - een zachte echo van het leven dat zich in stilte vormt en toch onmiskenbaar aanwezig is.

J.J.v.Verre.

woensdag 2 september 2026

Houten adem.

 

Afrikaanse kunst is een veld dat ademt als een oerbos: gelaagd, ritmisch en doorleefd. Deze houten figuren, met hun gestrengelde koorden en geometrische littekens, passen in de lange geschiedenis waarin hout niet zomaar materiaal is, maar een drager van geheugen, gemeenschap en aanwezigheid. Afrikaanse sculptuur is nooit louter decoratief. Het is een vorm van spreken zonder woorden. Hout wordt een lichaam dat rituelen draagt, een plaats waar voorouders worden aangeroepen, een gestolde beweging van het spirituele naar het tastbare. De grote centrale figuur, met het koord dat door haar torso rijgt, doet denken aan beschermingsbeelden, krachtfiguren of fetish beeldjes - objecten die niet alleen worden bekeken, maar worden gebruikt, aangeraakt en gevoed met intentie. De kleinere figuren ernaast lijken bijna als wachters, begeleiders, stemmen die de centrale aanwezigheid flankeren.


Houten adem.

Het kunstwerk dat zich hier toont, spreekt vanuit een wereld waarin stilte niet leeg is, maar gevuld met de adem van voorouders. In het hout leeft een trage puls - een herinnering die zich niet in woorden laat vatten, maar die zich nestelt in de ruimte tussen kijken en voelen. De centrale figuur staat daar als een poortwachter van een innerlijk landschap: een lichaam dat niet alleen vorm heeft, maar ook richting. De koorden om zijn torso zijn geen beperking, maar eerder een ritmische omsluiting, alsof het hout zich de krachten herinnert die het dragen. Elke knoop lijkt een gedachte, elke lus een eens uitgesproken gebed dat in het materiaal is blijven hangen. 

De kleinere figuren naast haar zijn geen ondergeschikten, maar echo's van dezelfde bron. Fluisteringen van een gemeenschap die niet is verdwenen, maar zich heeft teruggetrokken in de diepte van het hout. Hun eenvoudige gezichten dragen een sereniteit die niet naïef is, maar oud - alsof ze weten dat aanwezigheid niet luid hoeft te zijn om krachtig te blijven. Samen vormen ze een stil koor, een kring van aandacht rond de grote moederfiguur, die zelf lijkt te luisteren naar iets wat wij niet kunnen horen.

Afrikaanse kunst, in deze vorm, is nooit louter object. Het is een plek waar zichtbare en onzichtbare werkelijkheden elkaar raken. De geometrische patronen op het gezicht van de centrale figuur zijn geen versiering, maar betekenisvolle littekens - lijnen die de grens markeren tussen het menselijke en het spirituele. Het hout draagt de warmte van handen die het hebben aangeraakt, de intentie van rituelen die het hebben geactiveerd, de verhalen die het heeft gedragen zonder ze ooit uit te spreken. Het is een lichaam dat niet leeft zoals wij, maar dat een eigen aanwezigheid kent: een trage, diepe vibratie die je pas voelt wanneer je lang genoeg blijft kijken.

In deze sculpturen lijkt tijd niet lineair. Ze staan er alsof ze er altijd hebben gestaan - niet gemaakt, maar gevonden, als wortels van een wereld die onder de zichtbare laag ligt. Hun houding, de symmetrie van hun vormen, de rust in hun gezichten: het is of ze wachten, maar niet op ons. Ze wachten op het moment waarop betekenis weer door hen heen stroomt, wanneer een ritueel hen opnieuw activeert, wanneer een gemeenschap hen weer aanspreekt als deel van haar levende geheugen.

En toch, zelfs zonder dat ritueel, dragen ze iets over. Ze herinneren ons eraan dat kunst niet louter een esthetisch object is, maar een brug - tussen generaties, tussen het tastbare en het numineuze, tussen individu en gemeenschap. Dit kunstwerk staat er als een stille leraar, een gestolde ademtocht van een cultuur die haar wijsheid niet in boeken bewaart, maar in vormen, in ritmes, in hout dat blijft leven door de handen die het ooit vormgaven.

Wanneer je ernaar kijkt, lijkt het alsof het beeld jou op zijn beurt bekijkt - niet om te oordelen, maar om te peilen of je bereid bent te luisteren naar wat niet wordt gezegd. In die wederzijdse blik ontstaat een ruimte waarin de tijd even stilvalt, waarin je voelt dat schoonheid niet alleen in vorm ligt, maar in de aanwezigheid van iets dat groter is dan jezelf. Het kunstwerk wordt dan een innerlijke kompasnaald, die zachtjes trilt en je herinnert aan de diepte van menselijke verbondenheid, aan de kracht van ritueel, aan de stilte die niet leeg is, maar vol.

Zo staat het daar: niet als object, maar als aanwezigheid. Een houten adem, een gestolde herinnering, een zachte schemerzone waar verhalen zich blijven ontvouwen.

En wie lang genoeg blijft staan, voelt uiteindelijk dat niet hij naar het beeld kijkt, maar dat het beeld hem draagt - niet als een rivier die je oversteekt, maar die je meeneemt naar een oever die je pas herkent wanneer je er bent aangekomen.


J.J.v.Verre.











donderdag 27 augustus 2026

Omgekeerde vlag.

 

Het doet me eerlijk gezegd een beetje pijn wanneer ik langs de snelweg een Nederlandse vlag ondersteboven aan een paal zie hangen. Waarom precies, weet ik niet. Misschien is het een stukje chauvinisme, of gewoon het gevoel dat de Nederlandse vlag voor mij iets vertegenwoordigt.
Ik steun de boeren in hun protest en begrijp hun zorgen. Tegelijkertijd begrijp ik ook heel goed dat er zaken moeten veranderen. Als we niets doen, lopen we het risico dat er uiteindelijk voor iedereen weinig meer overblijft dan een tuin vol brandnetels, gras en bramenstruiken.
Misschien zit de waarheid ergens tussen protest en verandering: luisteren naar elkaar, ruimte geven aan wat moet veranderen, maar ook oog houden voor wat we willen behouden. 

Blauw, wit en rood langs een sloot,

valse vlaggen hangen zielloos rond.

De stikstofregel moet verzachten,

als regen op verschraalde grond


Het draagt de herinnering mee

aan wat ooit vloeibaar was en teer,

wacht slechts op één druppel vocht

die haar wakker kust – tot leven weer.


De wind die eens de vlag liet dansen,

fluistert nu een lege klacht.

Geen kleur die nog kan prikkelen;

de stilte heeft haar waan gebracht.


Het water spiegelt grauwe wolken,

geen teken meer van wat er was.

Regen valt niet om te troosten,

maar tekent alles grauw als as.


Geen gesprek dat ooit begon,

want woorden sterven in de wind.

Geen akkers, weiden, boerenstemmen -

bestuurders blijven agrarisch blind.


Als boeren konden praten,

en luisteren werkelijk was,

dan hingen al die mooie vlaggen

met rood weer boven in het gras.


J.J.v.Verre.





woensdag 26 augustus 2026

Weggaan.

 

Weggaan, een prachtig gedicht van Rutger Kopland, uit: Het orgeltje van yesterday, 2000.

Koplands gedicht Weggaan ademt de zachte paradox van een beweging die geen duidelijke richting kent: een verdwijnen dat niet werkelijk verdwijnt. Weggaan wordt losgemaakt van de dramatische handeling die we er gewoonlijk mee verbinden. Het is geen abrupt afscheid of een dichtslaande deur, maar een bijna onmerkbare verschuiving van aanwezigheid naar een andere vorm van zijn. Alsof iemand zich uit het licht terugtrekt, maar toch in de kamer blijft hangen: als een geur, een gedachte, een heimelijke verwachting.

Het gedicht keert daarmee de logica van weggaan om: wie weggaat, blijft. Niet langer als lichaam, maar als herinnering, als verwachting, als iemand op wie nog altijd wordt gewacht. De dichter laat zien hoe sterk de menselijke neiging is om elkaar vast te houden, zelfs wanneer de ander zich aan onze aanwezigheid onttrekt. Juist in dat vasthouden ontstaat een tweede vorm van aanwezigheid: een stille echo van iemand die er niet meer is, maar toch niet werkelijk kan verdwijnen. Weggaan wordt zo paradoxaal genoeg een vorm van blijven, een bestaan dat zich voortzet in de ruimte tussen herinnering en verwachting.

Die paradox krijgt aan het einde van het gedicht haar sterkste vorm. Niemand wacht, niemand neemt afscheid, omdat degene die weggaat er tegelijkertijd nog is. Het gedicht eindigt daardoor niet met een duidelijke conclusie, maar met een zachte ontbinding van het begrip ‘vertrek’. Weggaan kan zo klein en stil worden dat het nauwelijks wordt opgemerkt. Iemand kan verdwijnen zonder werkelijk afwezig te zijn, omdat aanwezigheid niet uitsluitend verbonden is met lichamelijk bestaan. Wat achterblijft, is het spoor dat iemand in het leven van een ander heeft getrokken.

Daarmee onderzoekt Kopland de dunne grens tussen zijn en niet-zijn, tussen vertrekken en blijven, tussen het zichtbare en het onzichtbare. Weggaan is niet simpelweg een beweging van de ene plaats naar de andere, maar een verandering van de manier waarop iemand aanwezig is. De afwezige blijft voortbestaan in herinneringen, verwachtingen en gevoelens.

Zo wordt Weggaan uiteindelijk een fluistering: een beweging die zich niet laat vangen in dramatische taal, maar zich nestelt in de stille plekken van het bestaan. Het gedicht laat zien dat verdwijnen niet hetzelfde is als ophouden te bestaan. Soms blijft iemand juist het sterkst aanwezig op het moment dat hij of zij niet langer fysiek aanwezig is. De herinnering blijft ademen, ook wanneer degene die haar achterliet al lang is doorgelopen.

In de afbeelding rust een kamer in schemerlicht, waar een open deur een strook goud over de houten vloer werpt. Een lege stoel en een stapel boeken wachten stil, alsof ze luisteren naar het zachte verdwijnen van iemand die net is opgestaan. Achter de deur vervaagt een figuur in het licht, een aanwezigheid die blijft hangen als herinnering aan het niet-weggaan of aan het niet-aanwezige.

J.J.v.Verre.







zaterdag 22 augustus 2026

Ga nu maar liggen liefste.

 

Dit mooie gedicht van Rutger Kopland getiteld Ga nu maar liggen liefste. In: Een plek om te blijven, 1975. Afbeelding enigszins bewerkt overgenomen van Rozemarijn van Leeuwen.

Er zijn gedichten die niet zozeer gelezen als wel betreden worden, alsof je een tuin binnenstapt waar het hoge gras de tijd vertraagt en de stilte een eigen contour krijgt. Rutger Koplands Ga nu maar liggen liefste is zo’n gedicht. Het begint niet met een gedachte, maar met een gebaar: een zachte uitnodiging die de lezer onmiddellijk in een intieme ruimte plaatst. Ga nu maar liggen liefste in de tuin - die ene regel opent al een wereld: een beweging naar rust, naar nabijheid, naar het verdwijnen in iets dat groter is dan jezelf. Onder die tederheid ligt een dieper verlangen, een verlangen dat niet draait om bezit, maar om beschikbaarheid: het verlangen een plek te zijn, niet voor jezelf, maar voor iemand anders.

De tuin die Kopland oproept, is nooit zomaar een tuin. Het is een innerlijke topografie, een landschap dat tegelijk buiten en binnen ligt. Het hoge gras is niet alleen natuur, maar ook een vorm van tijd: een zachte vertraging waarin iemand kan rusten zonder dat er iets van hem of haar wordt gevraagd. In die tuin krijgt leegte een eigen kwaliteit. De lege plek is geen tekort, maar een mogelijkheid; een ruimte die juist door haar openheid betekenis krijgt. Het is een plek waar iemand kan blijven, niet omdat het moet, maar omdat de ruimte hem draagt.

Misschien ligt het meest ontroerende moment in het verlangen van de schrijver om zelf die lege plek te zijn. Niet om iets te doen, niet om te spreken of zelfs maar te troosten, maar eenvoudigweg om een plek te zijn waar iemand kan liggen, waar iemand kan thuiskomen. Het is een liefde die zich niet allereerst uitdrukt in daden, maar in beschikbaarheid: een liefde die niet duwt, maar opent; die niet grijpt, maar draagt. Het verlangen om een lege plek te zijn, is een verlangen om niet te overheersen en niets te bepalen, maar ruimte te bieden. De liefde is hier bijna onzichtbaar geworden: zij trekt zich terug zonder afwezig te worden en blijft aanwezig als een veld, als een zachte ondergrond waarop iemand kan rusten.

In veel poëzie is leegte iets wat gevuld moet worden. Bij Kopland is leegte juist een vorm van nabijheid. De leegte in het hoge gras is geen gat, maar een contour van aanwezigheid: een plek die precies door haar leegte betekenis krijgt. De schrijver wil die leegte zijn, niet omdat hij niets is, maar omdat hij ruimte wil bieden. Leegte wordt zo een manier van liefhebben: een plek waar iemand kan blijven zonder te hoeven veranderen, spreken of voldoen. Het is een liefde die niet om onmiddellijke wederkerigheid vraagt, maar de ander eenvoudigweg rust gunt.

Daarin schuilt ook een subtiele paradox. Om een plek voor iemand anders te kunnen zijn, moet je zelf als het ware verdwijnen - niet letterlijk, maar in de zin van ego, verwachting en het verlangen naar erkenning. De schrijver wil niet noodzakelijk gezien worden, maar beschikbaar zijn: als rustplaats, als bedding, als stilte. Dat geeft het gedicht iets bijna mystieks. Het gaat om het verlangen op te gaan in de wereld van de ander, niet om zichzelf volledig te verliezen, maar om zichzelf beschikbaar te maken. Liefde draait hier niet om identiteit, maar om aanwezigheid.

Misschien blijft dit gedicht zo sterk resoneren omdat het iets raakt aan een menselijke hunkering die maar zelden wordt uitgesproken: het verlangen niet alleen iemand te zijn, maar ook een plek te kunnen zijn. Een plek waar iemand kan thuiskomen. Een plek die niet onmiddellijk verandert wanneer de ander komt of gaat. Een plek die blijft, zelfs wanneer er niemand ligt.

In een wereld die voortdurend vraagt om zichtbaarheid, prestaties en een duidelijke identiteit, krijgt Koplands leegte iets van verzet. Geen luid of heroïsch verzet, maar een zachte, stille vorm ervan. Juist daarin schuilt haar kracht: de weigering om liefde te begrijpen als bezit, actie of zelfbevestiging. Liefde wordt hier ruimte. Een lege plek in het hoge gras waarin de ander mag liggen - en waarin aanwezigheid juist voelbaar wordt doordat de spreker zichzelf niet op de voorgrond plaatst.

Misschien is dat uiteindelijk wat liefde vermag: zo diep aanwezig zijn dat je jezelf kunt loslaten en in de ruimte die daardoor ontstaat, een plek wordt waar de ander even mag rusten.


J.J.v.Verre.




woensdag 19 augustus 2026

Een verbonden gezin.

 

Dit schilderij van Mieke van Ameijde, getiteld Een verbonden gezin, laat zich poëtisch-filosofisch lezen als een verbeelding van de menselijke verbondenheid: liefdevol en onvermijdelijk, maar tegelijk ook kwetsbaar. Het toont hoe ieder individu zijn eigen weg gaat, en toch met de ander verstrengeld blijft.


In dit schilderij lijkt het gezin niet simpelweg te bestaan uit zeven figuren die naast elkaar staan, maar uit zeven bewegingen binnen één adem. Hun lichamen zijn geen afzonderlijke vormen; ze zijn bochten in dezelfde stroom, variaties binnen één gebaar dat zich door de tijd heen uitstrekt. De lijnen die hen omtrekken zijn geen grenzen maar paden - routes waarlangs nabijheid zich telkens opnieuw uitvindt, als draden in een familiaal netwerk dat niet wordt gezien maar wel wordt gevoeld. In die stille structuur van onderlinge afhankelijkheid beweegt ieder individu vrij, maar nooit zonder de resonantie van de anderen.

Elk personage draagt een eigen ritme, een eigen kleur, een eigen manier van aanwezig zijn. Het gezin wordt zo geen verzameling gelijken, maar een constellatie van verschillen die elkaar niet opheffen maar dragen. Verbondenheid verschijnt hier niet als een stilstaand geheel, maar als een voortdurende choreografie van uiteenlopende levens die elkaar blijven raken, zelfs wanneer ze uiteen bewegen.

De grote ogen - die bijna te groot zijn voor de gezichten die hen dragen - lijken te luisteren. Ze zoeken elkaar niet om te controleren, maar om te bevestigen dat men gezien wordt, dat men bestaat in het licht van de ander. De blik wordt een zachte draad: een vorm van aanraking die geen huid nodig heeft.

De kleuren spreken in tegenstellingen die elkaar niet bestrijden maar omarmen. Het warme oranje en rood: de puls van nabijheid, de warmte van gedeelde oorsprong. Het blauw: de ruimte die ieder nodig heeft om zichzelf te blijven, de afstand die niet afsnijdt maar ademt. Tussen die twee polen beweegt het gezin als een slingerende melodie: soms dichter bij elkaar, soms verder weg, maar altijd binnen hetzelfde veld van betekenis.

Er is een subtiele deterministische onderstroom: alsof ieder individu niet alleen zichzelf vormt, maar ook gevormd wordt door de anderen. De menselijke entiteiten lijken te zeggen dat identiteit geen soloproject is. Men draagt echo's van elkaar mee - in gebaren, in angsten, in verlangens, in de manier waarop men naar de wereld kijkt. Vrijheid verschijnt hier niet als losmaking, maar als het bewust leren bewegen binnen de draden die ons hebben voortgebracht.

Zo wordt Een verbonden gezin een kleine levensfilosofie in acrylverf: 

Wij zijn lijnen die elkaar kruisen, wij zijn kleuren die elkaar dragen, wij zijn bewegingen die elkaar herinneren. Geen mens ontstaat alleen; ieder wordt geboren in een web van blikken, stemmen, stiltes. En misschien is familie precies dat: een dans waarin niemand wordt vastgezet, maar waarin niemand ooit helemaal verdwijnt.

Wij zijn afzonderlijke lijnen,
maar geen lijn tekent zichzelf.
Waar wij vandaan komen, woont in ons voort;
waar wij naartoe gaan, raakt altijd iemand anders.
En misschien is familie precies dat:
elkaar vasthouden zonder elkaar stil te zetten.

Het schilderij toont niet zomaar een gezin, maar een universeel principe: wij worden onszelf pas in de ruimte tussen ons en de ander - een tussenruimte die hier zichtbaar wordt als licht, kleur en beweging op dit intuïtieve doek. In elke lijn, in elke kleur ligt een stille herinnering aan het wonder van wording: dat wij elkaar vinden door samen te bestaan.


J.J.v.Verre.

dinsdag 18 augustus 2026

Vlieg op raam.

 

Een vlieg die aan de buitenkant van het raam zit - zo'n klein, haast achteloos wezen - kan ineens een stille openbaring worden.


Ze rust daar als een punt van leven tegen het glas, een miniatuurreiziger die even pauzeert tussen hemel en kamer. Haar vleugels trillen nog zacht in het bewolkte licht, alsof ze een boodschap draagt die te licht is om in woorden te bestaan. Buiten strekt de wereld zich uit in wind, regen en ruimte; binnen heerst de besloten vredigheid van het huis. En precies op die grens, waar binnen en buiten elkaar raken zonder zich te vermengen, houdt zij haar wacht.

Het is een moment dat niets vraagt en toch iets zegt: hoe zelfs het kleinste leven een glans kan werpen op een druilerige dag. Hoe een vlieg -  eenvoudig en onopvallend - ons kan leren het gewone als iets wonderlijks te zien.

Ze blijft daar zitten, een stip van beweging in een wereld die bijna te groot lijkt voor haar fragiele lijfje. Af en toe trilt ze even, maar ze verandert niet van plaats. Alsof ze de warmte van het glas koestert en luistert naar de stille adem van de kamer aan de andere kant. Haar pootjes tasten het ruitoppervlak af met een bijna rituele voorzichtigheid: een klein dansje dat niemand ziet en toch zijn eigen betekenis lijkt te dragen.

De buitenlucht strijkt langs haar lichaam. Een vleugelrand vangt het licht, en op het glas verschijnt een zilveren zweem die even op een gedachte lijkt - vluchtig, helder, meteen weer verdwenen.

Ze is een reiziger zonder bestemming, een klein wezen dat de grens tussen binnen en buiten bewaakt zonder te weten dat die grens bestaat.

En terwijl je kijkt, wordt het moment langzaam iets anders. Het verdiept zich tot een stille meditatie, een zachte herinnering dat het leven zich vaak juist toont in het kleinste en meest onopvallende.

Een vlieg die even pauzeert op het raam.

Meer is er niet nodig om de wereld voor een ogenblik open te breken tot een klein wonder.


J.J.v.Verre.