Dit mooie gedicht van Rutger Kopland getiteld
Ga nu maar liggen liefste. In: Een plek om te blijven, 1975. Afbeelding enigszins bewerkt overgenomen van Rozemarijn van Leeuwen.
Er
zijn gedichten die niet zozeer gelezen als wel betreden worden, alsof
je een tuin binnenstapt waar het hoge gras de tijd vertraagt en de
stilte een eigen contour krijgt. Rutger Koplands Ga nu maar
liggen liefste is zo’n gedicht. Het begint niet met een
gedachte, maar met een gebaar: een zachte uitnodiging die de lezer
onmiddellijk in een intieme ruimte plaatst. Ga nu maar liggen
liefste in de tuin - die ene regel opent al een wereld: een
beweging naar rust, naar nabijheid, naar het verdwijnen in iets dat
groter is dan jezelf. Onder die tederheid ligt een dieper verlangen,
een verlangen dat niet draait om bezit, maar om beschikbaarheid: het
verlangen een plek te zijn, niet voor jezelf, maar voor iemand
anders.
De tuin die Kopland oproept, is nooit zomaar een tuin. Het is een
innerlijke topografie, een landschap dat tegelijk buiten en binnen
ligt. Het hoge gras is niet alleen natuur, maar ook een vorm van
tijd: een zachte vertraging waarin iemand kan rusten zonder dat er
iets van hem of haar wordt gevraagd. In die tuin krijgt leegte een
eigen kwaliteit. De lege plek is geen tekort, maar een mogelijkheid;
een ruimte die juist door haar openheid betekenis krijgt. Het is een
plek waar iemand kan blijven, niet omdat het moet, maar omdat de
ruimte hem draagt.
Misschien ligt het meest ontroerende moment in het verlangen van
de schrijver om zelf die lege plek te zijn. Niet om iets te doen,
niet om te spreken of zelfs maar te troosten, maar eenvoudigweg om
een plek te zijn waar iemand kan liggen, waar iemand kan thuiskomen.
Het is een liefde die zich niet allereerst uitdrukt in daden, maar in
beschikbaarheid: een liefde die niet duwt, maar opent; die niet
grijpt, maar draagt. Het verlangen om een lege plek te zijn, is een
verlangen om niet te overheersen en niets te bepalen, maar ruimte te
bieden. De liefde is hier bijna onzichtbaar geworden: zij trekt zich
terug zonder afwezig te worden en blijft aanwezig als een veld, als
een zachte ondergrond waarop iemand kan rusten.
In veel poëzie is leegte iets wat gevuld moet worden. Bij Kopland
is leegte juist een vorm van nabijheid. De leegte in het hoge gras is
geen gat, maar een contour van aanwezigheid: een plek die precies
door haar leegte betekenis krijgt. De schrijver wil die leegte zijn,
niet omdat hij niets is, maar omdat hij ruimte wil bieden. Leegte
wordt zo een manier van liefhebben: een plek waar iemand kan blijven
zonder te hoeven veranderen, spreken of voldoen. Het is een liefde
die niet om onmiddellijke wederkerigheid vraagt, maar de ander
eenvoudigweg rust gunt.
Daarin schuilt ook een subtiele paradox. Om een plek voor iemand
anders te kunnen zijn, moet je zelf als het ware verdwijnen - niet
letterlijk, maar in de zin van ego, verwachting en het verlangen naar
erkenning. De schrijver wil niet noodzakelijk gezien worden, maar
beschikbaar zijn: als rustplaats, als bedding, als stilte. Dat geeft
het gedicht iets bijna mystieks. Het gaat om het verlangen op te gaan
in de wereld van de ander, niet om zichzelf volledig te verliezen,
maar om zichzelf beschikbaar te maken. Liefde draait hier niet om
identiteit, maar om aanwezigheid.
Misschien blijft dit gedicht zo sterk resoneren omdat het iets
raakt aan een menselijke hunkering die maar zelden wordt
uitgesproken: het verlangen niet alleen iemand te zijn, maar ook een
plek te kunnen zijn. Een plek waar iemand kan thuiskomen. Een plek
die niet onmiddellijk verandert wanneer de ander komt of gaat. Een
plek die blijft, zelfs wanneer er niemand ligt.
In een wereld die voortdurend vraagt om zichtbaarheid, prestaties
en een duidelijke identiteit, krijgt Koplands leegte iets van verzet.
Geen luid of heroïsch verzet, maar een zachte, stille vorm ervan.
Juist daarin schuilt haar kracht: de weigering om liefde te begrijpen
als bezit, actie of zelfbevestiging. Liefde wordt hier ruimte. Een
lege plek in het hoge gras waarin de ander mag liggen - en waarin
aanwezigheid juist voelbaar wordt doordat de spreker zichzelf niet op
de voorgrond plaatst.
Misschien
is dat uiteindelijk wat liefde vermag: zo diep aanwezig zijn dat je
jezelf kunt loslaten en in de ruimte die daardoor ontstaat, een plek
wordt waar de ander even mag rusten.
J.J.v.Verre.