Weggaan, een prachtig gedicht van Rutger Kopland, uit: Het orgeltje van yesterday, 2000.
Koplands gedicht Weggaan ademt de zachte paradox van een beweging die geen duidelijke richting kent: een verdwijnen dat niet werkelijk verdwijnt. Weggaan wordt losgemaakt van de dramatische handeling die we er gewoonlijk mee verbinden. Het is geen abrupt afscheid of een dichtslaande deur, maar een bijna onmerkbare verschuiving van aanwezigheid naar een andere vorm van zijn. Alsof iemand zich uit het licht terugtrekt, maar toch in de kamer blijft hangen: als een geur, een gedachte, een heimelijke verwachting.
Het gedicht keert daarmee de logica van weggaan om: wie weggaat, blijft. Niet langer als lichaam, maar als herinnering, als verwachting, als iemand op wie nog altijd wordt gewacht. De dichter laat zien hoe sterk de menselijke neiging is om elkaar vast te houden, zelfs wanneer de ander zich aan onze aanwezigheid onttrekt. Juist in dat vasthouden ontstaat een tweede vorm van aanwezigheid: een stille echo van iemand die er niet meer is, maar toch niet werkelijk kan verdwijnen. Weggaan wordt zo paradoxaal genoeg een vorm van blijven, een bestaan dat zich voortzet in de ruimte tussen herinnering en verwachting.
Die paradox krijgt aan het einde van het gedicht haar sterkste vorm. Niemand wacht, niemand neemt afscheid, omdat degene die weggaat er tegelijkertijd nog is. Het gedicht eindigt daardoor niet met een duidelijke conclusie, maar met een zachte ontbinding van het begrip ‘vertrek’. Weggaan kan zo klein en stil worden dat het nauwelijks wordt opgemerkt. Iemand kan verdwijnen zonder werkelijk afwezig te zijn, omdat aanwezigheid niet uitsluitend verbonden is met lichamelijk bestaan. Wat achterblijft, is het spoor dat iemand in het leven van een ander heeft getrokken.
Daarmee onderzoekt Kopland de dunne grens tussen zijn en niet-zijn, tussen vertrekken en blijven, tussen het zichtbare en het onzichtbare. Weggaan is niet simpelweg een beweging van de ene plaats naar de andere, maar een verandering van de manier waarop iemand aanwezig is. De afwezige blijft voortbestaan in herinneringen, verwachtingen en gevoelens.
Zo wordt Weggaan uiteindelijk een fluistering: een beweging die zich niet laat vangen in dramatische taal, maar zich nestelt in de stille plekken van het bestaan. Het gedicht laat zien dat verdwijnen niet hetzelfde is als ophouden te bestaan. Soms blijft iemand juist het sterkst aanwezig op het moment dat hij of zij niet langer fysiek aanwezig is. De herinnering blijft ademen, ook wanneer degene die haar achterliet al lang is doorgelopen.
In de afbeelding rust een kamer in schemerlicht, waar een open deur een strook goud over de houten vloer werpt. Een lege stoel en een stapel boeken wachten stil, alsof ze luisteren naar het zachte verdwijnen van iemand die net is opgestaan. Achter de deur vervaagt een figuur in het licht, een aanwezigheid die blijft hangen als herinnering aan het niet-weggaan of aan het niet-aanwezige.J.J.v.Verre.






