Schilderij getiteld: Vrede in blauwe stilte, Mieke van Ameijde, Acryl op linnen, 60x80 cm.
zaterdag 14 maart 2026
Vrede in blauwe stilte.
dinsdag 10 maart 2026
Moeder.
Mijn moeders sjaal
plots was de geur uit jouw sjaal verdwenen
die lange tijd mijn herinneringen fris hield
alsof de tijd zijn vingers had gesloten
rond wat ik nooit verliezen wilde
ik drukte de wol tegen mijn gezicht
zocht naar een spoor van jou
maar vond alleen de leegte die achterblijft
wanneer een hart te lang moet missen
toch draag ik jou, moeder
in elke adem die ik onbewust kies
in elke dag die zich ontvouwt
in jouw liefdevolle zachtheid
en toch, soms heel even
wanneer de wind mijn haren verwaait
meen ik je weer te proeven
niet in de stof, maar in mij
donderdag 5 maart 2026
De taal van verbonden handen.
Het fluisteren van verbonden handen in een dans van herstel en overgave. Foto Erwin Olaf, tentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam t/m 6-4-2026.
In deze twee handen ontvouwt zich een ontmoeting die groter is dan het moment zelf. Het is alsof de ziel even zichtbaar wordt in de manier waarop huid, spanning en zachtheid elkaar raken. De ene hand reikt, de andere antwoordt, niet als gebaar van bezit, maar als een belofte van vertrouwen. Er zit een stille choreografie in dit contact: een dans die niet begint bij de fysieke wil, maar bij de innerlijke beweging van twee wezens die elkaar willen verstaan. De vingers lijken te luisteren, te tasten naar een waarheid die niet in woorden past.
In hun naderende aanraking ontstaat een ruimte die bijna heilig aanvoelt, een plek waar kracht en kwetsbaarheid elkaar niet tegenspreken, maar elkaar verheffen. Alsof het universum even door de huid heen ademt en toont dat in dit gebaar een oeroude verbondenheid ontwaakt. Wat mij in deze foto het diepst raakt, is de volgende interpretatie: de fotograaf toont hoe deze twee mensen, midden in een balletuitvoering die discipline en beheersing vraagt, toch een moment vinden waarin puur menszijn doorbreekt. Een moment waarin aanraking geen beweging is, maar betekenis.
J.J.v.Verre.
Kom terug.
beschadig me, beschimp me, bespot me, bespuug me, verneder me, veracht me, pijnig me, breek me, steek me, pest me, vertrap me, verwond me, kleineer me, chanteer me, lieg me, bedrieg me, ontwijk me, bezeik me, verleidt me, berijdt me, verbrandt me, verteer me, kruisig me, begraaf me, maar kom terug.
J.J.v.Verre.
zaterdag 28 februari 2026
Tussen twee tijden.
Een schemerlandschap tussen nacht en ochtend. De lucht vloeit van diep violet naar zacht koper. In het midden staat een androgyn silhouet, open en gespannen tegelijk, alsof het lichaam zelf een woordloos gebed is. Rondom hen bewegen zachte lichttinten die aantrekken en afstoten in één adem. De grond pulseert warm, als een gloeiende herinnering. In de verte staat een tweede aanwezigheid, een vorm van licht net buiten bereik. De ruimte tussen beide figuren trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt.
Er zijn kortstondige ogenblikken die zich niet laten vangen in de lineaire logica van tijd. Ze bestaan niet vóór of ná, maar ertussen, als een zucht die weigert te verdwijnen, als een trilling die zich nestelt in de poriën van het bestaan. In zo'n moment staat een figuur, niet als subject of object, maar als overgang. Niet als mens, maar als mogelijkheid.
De ruimte waarin dit wezen zich bevindt is geen landschap in geografische zin, maar een veld van betekenis. De lucht is geen atmosfeer, maar een geheugen van licht. Alles ademt verwachting, maar zonder enige vorm van belofte. De horizon is geen grens, maar een vraag: wat blijft, als alles voorbijgaat?
De figuur zelf is een paradox, tegelijk open en gesloten, verlangend en terughoudend, aanwezig en afwezig. De armen zijn uitgestrekt, niet in overgave, maar in hunkering. Niet om te ontvangen, maar om te bevestigen dat er iets was, iets is, iets blijft. Rondom hen cirkelen stroken licht, als herinneringen welke zich niet laten reduceren tot verleden, maar zich gedragen als actieve krachten, magnetisch, dwingend en teder.
In de verte staat een tweede gestalte, vaag, bijna opgelost in het licht. Geen antwoord, geen oorsprong, maar een spiegel van verlangen. De afstand tussen hen is geen fysieke scheiding, maar een ethische ruimte: het domein van wat nog niet is, maar zou kunnen zijn. Het domein van het bijna, dat in zijn onvoltooidheid een vollediger waarheid draagt dan het reeds.
Zo wordt het landschap een metafoor voor het menselijk bewustzijn: een plek waar de tijd niet heerst, maar huivert. Waar de herinnering geen archief is, maar een levend organisme. Waar de liefde geen bezit is, maar een beweging, een kruispunt van licht en schaduw, van hoop en verlies, van aanwezigheid en het verlangen naar terugkeer.
Wat zich hier afspeelt is geen ontmoeting, maar een ontregeling. De figuur in het midden is geen hoofdrolspeler, maar een drager van potentie, een gestalte die niet handelt, maar ondergaat. Niet als slachtoffer, maar als getuige van een kosmisch spel waarin nabijheid en verlies elkaar voortdurend afwisselen. En terwijl het spel zich herhaalt in steeds subtielere spiralen, beseft het universum dat zelfs zijn eigen adem een poging is om het onzegbare te raken. En ergens in die voortdurende wisseling, waar begin en einde elkaar niet meer herkennen, ontvouwt zich een zachte fluistering die suggereert dat zelfs het oneindige soms verlangt naar een ander ritme.
De ruimte trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt. Alsof elke ademstoot van de aarde een poging is om het verlangen zelf vorm te geven, een pulserende herinnering dat zelfs stilte een richting kent. En in die trilling, waar verlangen en herinnering elkaar voortdurend herscheppen, lijkt het alsof het schouwspel wacht op een beweging die nog niet is gekozen, maar al voelbaar door de huid van het moment glijdt. Alsof het precies daar, in dat nauwelijks waarneembare verschuiven, een nieuwe mogelijkheid zoekt om zich te tonen. Een kiem van betekenis die nog geen naam draagt maar al wel gewicht heeft in het weefsel van het licht. En zo blijft het moment hangen, niet als antwoord, maar als een belofte van wat zich ooit opnieuw zou kunnen ontvouwen.
J.J.v.Verre.
woensdag 18 februari 2026
De Tijdmachine.
Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht die niets wil veranderen, maar slechts wil bewaren wat in die nacht nog nagloeit. Want sommige momenten zijn geen verleden, maar een trilling die blijft bestaan als een zucht tussen twee tijden.
Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht, niet om te keren wat geweest is, maar om te bewaren wat nog gloeit.
Een ademtocht van as en licht, een trilling tussen twee tijden, waar liefde niet verdwijnt, maar blijft hangen in het duister.
Geen knoppen, geen schermen, alleen herinnering als brandstof, en verlangen als kompas.
Want sommige nachten zijn geen verleden, maar een belofte die weigert te sterven.
J.J.v.Verre.
dinsdag 3 februari 2026
Lentedag.
Zonlicht valt door een smalle spleet in verduisterende gordijnen op een nog stille slaapkamer en geeft met zijn warme gloed en zachte schaduwen, een serene sfeer van ontwaken.
Door een spleet in de verduistering kust het ochtendlicht mijn oogleden. Wakker worden is een proces dat dagelijks geschiedt, maar nooit helemaal begrepen wordt. Flarden droomresten ontsnappen uit je geheugen, en herboren worden in een nieuwe dag is een feit. Gisteren is nu echt voorbij en komt alleen gehavend terug in herinnering. En dan, in dat stille tussenliggende moment waarin je nog niet helemaal teruggekeerd bent in je lichaam van de vorige dag, lijkt het leven even te pauzeren. Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt. Je voelt hoe het licht je opnieuw vormt, hoe elke straal een zachte invitatie is om weer deel te nemen aan het ritme van ons dagelijks bestaan.
De kamer om je heen is nog is nog half schaduw, half belofte. Buiten beweegt de dag zich al voort, maar binnen heerst een serene rust, een soort innerlijke lente die niet afhankelijk is van seizoenen. Je beseft dat elke ochtend een kans is om opnieuw te beginnen, niet omdat gisteren vergeten moet worden, maar omdat het zich heeft teruggetrokken tot een geschiedenis die je met je meedraagt. In dat besef ontstaat een liefdevolle dankbaarheid voor het licht dat je wakker maakt. Voor de dromen die jou loslaten. Voor de tijd die zich steeds weer ontvouwt, geduldig en zonder oordeel. En terwijl je opstaat, voel je hoe de dag zich opent als een deur die nooit op slot heeft gezeten. Je stapt er doorheen, niet als iemand die iets achterlaat, maar als iemand die iets meeneemt: het stille weten dat elke ochtend een kleine wedergeboorte is, een respons van het leven dat zegt: begin maar weer, ik ben er nog steeds. En zo draag je, bijna onopgemerkt, het zachte bewijs met je mee dat elke dag niet alleen begint, maar jou ook opnieuw laat beginnen. Terwijl je opstaat om de lentedag te begroeten, merk je hoe het licht in jou hetzelfde doet als buiten: het groeit zonder haast, alsof het precies weet waar het heen wil, en jou zachtjes herinnert aan de mystieke kunst om jezelf elke dag opnieuw te zijn. En in dat geruisloze groeien herken je iets vertrouwds, alsof het leven zelf even met je meeloopt en bevestigt dat elke dag niet vraagt om verandering, maar om aanwezigheid. Een aanwezigheid die kalm is, maar vastberaden, die zich niet hoeft te bewijzen, die niet zoekt naar erkenning, en zich kan tonen in het eenvoudige en oprechte. Het nestelt zich in het ritme van het alledaagse, in een blik die blijft hangen, een hartslag welke niet versnelt, in een leegte die vol is van hernieuwde levenslust. In dat samenvallen met jezelf ontvouwt zich de eenvoud die niets verlangt, volledig geïncorporeerd in dat ene moment.
J.J.v.Verre.





