zondag 21 december 2025

Vleugels die over de polder waaien.

Windmolens in de Noordoostpolder. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos.


De Noordoostpolder spreidt zich uit als een vlakke bladzijde, een open boek waarin de mens zijn tekens heeft achtergelaten. Waar ooit de zee haar golven liet rollen, staan nu de hoge wachters van de wind. Molens, die hun wieken spreiden als vleugels boven het land. Zij draaien niet slechts om energie op te wekken, maar om een gesprek te voeren met de eeuwige kringloop van lucht en tijd. Elke wiek is een gebaar, een cirkel die de tijd tekent. Het is alsof de molens de polder optillen uit zijn horizontale stilte en hem verbinden met een kosmische beweging. De wind, onzichtbaar maar voelbaar, wordt zichtbaar in hun draaiing. Zo wordt het ongrijpbare tastbaar en krijgt het vluchtige een vorm. De boer die zijn akker bewerkt, ziet hoe de molens boven hem hun wals uitvoeren. Hij weet dat zijn arbeid geworteld is in de grond, maar dat de molens hem herinneren aan de lucht, aan het onbegrensde. Het zijn vleugels die niet wegvliegen, maar blijven, verankerd in beton en staal en toch voortdurend in beweging. Zij zijn de schijnbare tegenstrijdigheid van het bestaan, zowel vast als vluchtig en zowel aards als hemels. De polder zelf lijkt te luisteren. Het water in de sloten rimpelt mee, de vogels trekken soms roekeloos hun lijnen langs de wieken en de horizon wordt een toneel waar mens en natuur elkaar ontmoeten. De molens zijn geen indringers, maar nieuwe bomen van een ander bos, een futuristisch bos dat niet groeit in wortels maar in cirkels van lucht. En zo wordt de Noordoostpolder een plaats van resonantie. Hier waait de wind niet slechts over het land, maar door de ziel van wie kijkt en luistert. De molens zijn vleugels die ons herinneren dat wij deel uitmaken van een groter geheel. Zij fluisteren dat vooruitgang niet het einde van traditie is, maar een nieuwe vorm van verbinding. Wanneer de avond valt en de zon zijn wieken rood kleurt, lijkt het alsof de polder zelf opstijgt. Niet letterlijk, maar in spirituele betekenis, als een verheffing van het vlakke naar het verhevene. Vleugels, die over de polder waaien, dragen niet alleen energie, maar ook een gelofte dat de mens, in zijn streven naar licht en kracht, steeds opnieuw de harmonie kan vinden met het Al. Dit verhaal is bedoeld als beschouwing die de windmolens niet enkel technisch of functioneel benadert, maar ze plaatst in een filosofisch en poëtisch kader. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos. Ik kijk omhoog. Geen reuzen, maar machines. De wieken draaien traag en machtig, maar nog steeds zijn ze een ontsiering van het polderlandschap in mijn beleving van de natuur. Misschien is mijn beleving nog te conservatief en wil ik iets blijven zien, zoals een molen op romantische schilderijen. Hoe poëtisch je die reuze molens ook zou kunnen beschrijven. In je liefde voor poëtisch proza kun je alles romantiseren, zelfs een reus.

 J.J.v.Verre

zaterdag 20 december 2025

Kerstgedachte.

 

De kerstgedachte is het licht van de schemering waarin het menselijke en het eeuwige elkaar aanraken. Een moment waarin tijd oplost en liefde haar contouren tekent in het donker.

Kerstmis is de zachte omkering van het jaar, waar het licht, nog maar een kiem in de duisternis, zich opnieuw aan ons toevertrouwt. Het is de tijd waarin de wereld even stilstaat, alsof de adem van de aarde wordt ingehouden, en wij als kleine reizigers in het grote donker, ons bezinnen en luisteren naar wat in ons fluistert. In de luwte van december wordt elke herinnering een kaars, elke stilte een wegwijzer, en elke gedachte een voetstap naar het onuitgesproken midden van onszelf. Het midden is de ruimte waar liefde niet iets is wat je geeft of ontvangt, maar iets wat je bent.

Daar klinkt ook de stem van vrede op aarde, die ons keer op keer in verwarring brengt wanneer we naar beelden van het journaal kijken. Met kerst lijken we te leven in een parallelle dimensie met een entourage van sneeuw, versierde bomen, lichtjes in allerlei vormen en kleuren. Ons leven wordt ondergedompeld in wat soms de illusie van liefde lijkt te zijn. Maar liefde laat zich niet manipuleren. Zij heeft zich verbonden met het ware licht, met betekenis en oprechtheid, met mildheid en aandacht, met verzoening, kwetsbaarheid, hoop en thuiskomst. Liefde is een klein lichtje dat weigert te doven. Een stilte. Een zachte blik. Een vertraagde stap. De bereidheid om niet te oordelen. Liefde is het allerbelangrijkste wat je bij je draagt. En het mooiste is om haar met een ander te delen. Dan raak je haar niet kwijt, maar vergroot je juist haar kracht. Wie veel liefde in zich draagt, kan stralen en de kille wereld verwarmen, pijn verzachten en het hart herinneren aan wat het nooit verloren heeft. Zo kan de sluimerende vonk in ieder wezen opnieuw ontwaken.

Zo wordt Kerstmis geen feest van uiterlijke pracht, maar een nederige thuiskomst, een terugkeren naar het licht dat wij het hele jaar al met ons meedragen, maar pas in deze heilige stilte durven te zien. In dat herwonnen licht herkennen wij elkaar opnieuw, als dragers van hetzelfde stille vuur. Het vuur dat liefde niet kan verschroeien, maar aanwakkert tot een hartstochtelijke intentie, de stille gloed waarin ieder mens zijn ware begin hervindt.


De kerstgedachte.

in het schemer tussen tijd en stilte
waar sneeuw de adem draagt,
ontwaakt een fluistering van oorsprong
als geheugen dat niet spreekt, maar weegt.

waar het duister zich opent als een kelk,
en licht zich niet toont, maar toevertrouwt,
wordt de mens spiegel van het onzegbare,
een drager van wat zich niet laat bezitten.

kerstgedachte is geen woord,
maar een trilling in het hart van de nacht,
waar liefde zich hult in eenvoud
het eeuwige zich buigt naar het kwetsbare.


J.J.v.Verre.



woensdag 17 december 2025

Sterven en daarna?

 


Een enkele kaars die brandt in de duisternis, haar licht en warmte verspreiden zich als zachte golven die de ruimte vullen, als symbool van voortzetting en resonantie van het leven. Het lichaam wordt aarde, een zak stof dat zich ontvouwt. De adem verdampt tot mist, het licht in de ogen dooft als een verre lamp achter de heuvels. En dan?? Dan begint het echte vertrek.

We staan op de oever van het bestaan, kijken uit over een zee van stilte waar geen boot ligt te wachten. De oversteek is geen reis, maar een ontbinding. Wij zijn het veer dat overgaat in water, de wijn die zich vermengt met de rivier. Wat "ik " heette, lost op in het grotere "wij " van de wind, het geheugen van de stenen, het donkere lied van de wortels onder het mos. Er is geen kaart. Er is alleen de vallende kier tussen voorheen en straks, een kier waar de tijd zelf doorheen lekt. Wie daar doorheen glijdt, wordt een herinnering in de adem van wie blijft. Een flard in de droom van een vreemde, een rimpeling in een plas waar later de maan in zal kijken. Misschien is daarna niet een plek, maar een terugkeer. Alsof een druppel zich herinnert dat zij de oceaan is. Alsof het licht dat eeuwen door de ruimte reist, eindelijk beseft dat het geen reiziger was, maar de reis zelf. Wij waren nooit de vlam, slecht het dansen ervan. Het dansen stopt. Het vuur......het vuur blijft. En wat overblijft is geen antwoord, maar een weerklank. Een vraag die nagalmt in het lege vertrek van het heelal. Waren wij ooit gescheiden, of hebben wij ons alleen maar ingebeeld dat wij alleen waren? In het verdwijnen ligt het antwoord, zachter dan stilte, ouder dan namen. Wij gaan niet heen. Wij worden teruggegeven. Aan het duister dat ons droeg, aan het licht dat ons vergat. En uiteindelijk, in die laatste ontvouwing van wat "ik " was, vallen alle vragen weg en blijft slechts het antwoord achter, niet als woord, maar als de voltooide stilte waaruit elk verhaal, opnieuw en opnieuw, voor het eerst begint.



              J.J.v.Verre.

dinsdag 16 december 2025

Het holografisch visioen.

De stad verrijst (1910), Umberto Boccioni (1882-1916) Olieverf op canvas 199/301 cm. MoMa, New York. Zoals Boccioni's stad verrijst in een dynamische stroom van licht, beweging en energie, zo verrijst het nieuwe denken als holografisch visioen. Een vibrerende totaliteit waarin mens en kosmos niet gescheiden zijn, maar samen pulseren in een tijdloze resonantie.


in web van licht en trilling,

waar golven zich ontmoeten,

verrijst een beeld dat geen deel kent,

waarin elke fractie het geheel draagt.



ons brein, als spiegel van het Al,

weeft herinnering als vibratie,

een fluistering van tijdloosheid,

een echo van het holoversum.



kortste weg is geen rechte lijn,

maar kromming door dimensies,

waar tijd zich niet voortbeweegt,

doch in vele richtingen openvouwt.



wij zien wat wij denken te zien,

wij horen wat wij verwachten,

toch is elk beeld een illusie,

een projectie van het kosmische veld.



het nieuwe denken opent zich,

niet door verleiding van bezit,

maar door ontwaken van inzicht,

waar ratio en intuïtie samenkomen.



zo wordt de mens veelvoudig,

een trilling van het Al,

een holografisch visioen,

dat zich eindeloos herhaalt.


J.J.v.Verre.






woensdag 10 december 2025

In memoriam J.J.Slauerhoff. Deel 3

 

                             Slauerhoff in zijn uniform als scheepsarts.


Zwanezang


Is 't waar dat ik, in langvervlogen dagen,

Geloofde in droomen en een dichter was?

Dat jonge meisjes met mijn verzen lagen

Zich te verzadigen, eenzaam in 't hooge gras?


Waarom wil geen mij, eenzaam nu, hergeven

Wat van de liefde, aan hun bloei verloren?

Nu ik verminderd ben, na zooveel leven

Nog zelfs niet zeggen kan: ik ben geboren.


Is de vervoering in hen opgegaan?

Die, eens een weelde, mij verwoestend was?

Ook de engelen die ijl en ver bestaan

Zijn onbereikbaar voor 't  gebannen ras,


Dat ze verwerkt heeft in verkeer met geesten

En in volmaakte schoonheid heen liet gaan,

Den goden tot genot. Ze zijn voor ons geweest, en

Nu gelukzalig en zien ons niet aan.


J.Slauerhoff


Een filosofische vertaling van de Zwanezang in proza:

Er was een tijd, lang geleden, waarin ik geloofde in dromen en mijzelf als dichter. Nu weet ik dat de dichter niet in zichzelf gelooft, maar in het woord. En dromen niet van mij zijn, ze passeren slechts mijn gedachten. Mijn woorden hadden toen de kracht om jonge meisjes te beroeren, die eenzaamheid zochten in het hoge gras en in mijn verzen een verzadiging van hun verlangens vonden. Nu echter, in mijn eenzaamheid, wil niemand mij teruggeven wat destijds in de bloei van hun liefde verloren ging. Na zoveel leven ben ik verzwakt en verminderd en kan ik zelfs niet met zekerheid vaststellen dat ik werkelijk geboren ben. Misschien is het de vervoering die mij ooit verwoestte, geheel in hen opgegaan. Wat voor mij een gevaarlijke weelde was, is voor hen opgelost in een hogere staat. Zelfs de engelen, die bestaan in een ijle en verre sfeer, zijn voor ons, het gebannen geslacht van mensen, onbereikbaar. Want zij hebben zich verbonden met geesten en zijn in volmaakte schoonheid verdwenen, tot vreugde der goden. Ze waren ooit onder ons, maar zijn nu gelukzalig geworden en zien ons niet meer staan.

                                                                  ---

Woorden in den Nacht


Voel je hoe ik naar je toe kom?

Je bent naakt in den nacht.


Wacht, ik doe eerst een doek om.

Nog niet, nog niet.


Liefkoos mij, zacht

Zeg dat je mij mooi vindt

En alleen door te streelen

In 't donker, mij ziet.


Zullen wij spelen,

Dat wie 't eerste lacht,

Moet ondergaan

Wat de ander bedacht?


O, laat het doorgaan,

Totdat wij doodgaan.

Alles wat hierna komt

Is niets dan Dood, vermomd

In schijn van Leven


Neem mij weer, wacht nog even.


J.Slauerhoff


Woorden in den Nacht opnieuw vertaald in proza:

In de stilte van de nacht klinken woorden die niet voor het daglicht bestemd zijn. Het zijn fluisteringen ontsproten uit een dieper domein, waar de menselijke ziel zich losmaakt van de banaliteit van het bestaan. Deze woorden dragen geen gewicht van alledaagse betekenis, maar zijn de fundamenten van een geheim, dat het tijdelijke met het eeuwige verbindt en het vergankelijke met het onbereikbare.

De dichter spreekt, maar zijn stem is niet enkel de zijne. Het is de echo van een verlangen dat door alle mensen heen gaat, het verlangen om gehoord te worden door iets dat groter is dan wijzelf. In de nacht, waar de grenzen tussen werkelijkheid en droom vervagen, dienen woorden als bruggen. Zij reiken naar het onbekende, naar de goden, naar de sterren die onverschillig schijnen en toch getuigen van onze roep. Maar deze woorden zijn ook breekbaar. Zij lossen op zodra de ochtend gloort, alsof de dag hen niet kan verdragen. Wat in de nacht een openbaring lijkt, wordt bij het eerste licht een herinnering, een schim. Toch blijft de mens ze uitspreken, omdat hij weet dat zonder deze nachtelijke woorden zijn bestaan leeg zou zijn. Die woorden in de nacht zijn niet louter klanken, maar krijgen het karakter van een filosofische daad, als een poging om het onzegbare te zeggen en het onbereikbare te benaderen. Zij zijn de stille getuigen van onze eindige aard en tegelijkertijd het bewijs dat wij, ondanks onze vergankelijkheid blijven zoeken naar zin en schoonheid.

                                                                                 ---

Morgen rijd ik


Morgen rijd ik met bedwelmende bloemen naar je toe.

Ik wil niet langer wachten, eindelijk weten hoe

Je bent; de bloemen zullen je verraden.

Als je liefdeloos bent, zullen ze kwijnen en treuren;

Als je kwijnt van verlangen, heviger geuren;

Als je brandt van verlangen, hun knoppen scheuren

En jij in een groot gebaar al je gewaden.


J.Slauerhoff (Uit: Serenade III-1938)

Vertaling in proza:

Ik besluit niet langer te wachten. Er is een drang in mij om jou werkelijk te leren kennen, niet in de abstractie van verlangen, maar in de werkelijkheid van een ontmoeting. Daarom kom ik naar je toe en neem ik bloemen mee. Niet zomaar bloemen, maar dragers van een verborgen geheim, spiegels van jouw innerlijk. De bloemen zullen mij vertellen wie jij bent, want ze reageren op de waarheid van je hart. Indien jouw wezen koud en liefdeloos blijkt, zullen zij verwelken, hun schoonheid verliezen, alsof zij treuren om het gemis aan warmte. Indien jij daarentegen verscheurd wordt door verlangen, zullen zij sterker geuren, hun essentie intensiveren, alsof zij zich gaan verheugen op jouw naderende passie. En mocht jouw verlangen zo hevig zijn dat het brandt, dan zullen hun knoppen openscheuren, zich niet langer kunnen bedwingen, zoals jij in een opwelling van overgave je gewaden afwerpt en je ware zelf toont.

                                                                              ---

De Dooden en de Kinderen


Kom vaak bij ons. Jij die begint te leven

Verstaat ons 't best en bent het dichtste bij.

Een kerkhof vind je, evenals een wei,

Een plaats goed om te draven en te spelen.


Je praat met dingen die geen antwoord

geven,

Die enkel lachen, stil, lang, als de zon,

Er schaduwen als glimlachen doen zweven.

Ook grauwe steenen in een dartle bron


Zijn oude watermannen van heel vroeger;

Zij moeten stilstaan en zij lachen goedig

Als je, schoenen en kousen in de hand,

Over hun hoofden springt naar de'

overkant


Om toovenaars te zoeken in het woud.

Je gaat stil zitten op een dooden boom,

Wilt blijven kijken, maar slaap maakt je

loom.

Dan komen wij en worden even oud.


J.Slauerhoff


Vertaling van het gedicht De Dooden en de Kinderen in proza:


Het kind, dat net begint te leven, staat het dichtst bij de doden. Het begrijpt hen beter dan wie ook, omdat het nog geen scheiding voelt tussen leven en dood. Voor het kind is een kerkhof niet anders dan een weide, een plek om te rennen, te spelen en om te ontdekken. Het spreekt met dingen die zwijgen, maar die in hun stilte een soort glimlach dragen, zoals de zon die schaduwen werpt die lijken op lachende vreemdelingen. Zelfs de grauwe stenen van een bron zijn voor het kind geen koude materie, maar oude watergeesten uit een ver verleden. Zij staan versteend stil, maar hun stilstand is vriendelijk en ze lijken te lachen wanneer het kind, met schoenen en kousen in de hand, over hen heen spring naar de overkant. In het woud zoekt het kind tovenaars en wanneer het moe wordt en in slaap valt op een dode boom, komt er een moment van samenvallen. Als de doden naderen vloeien de dimensies in elkaar over en voor een ogenblik zijn zij even oud als het kind.

                                                                       ---

De Zee

De zee, het eenige leven dat strekt

Van begin tot einde

-Terwijl alle andre, voor kort gewekt,

Gedwee en weerloos verdwijnen-

Geeft in. eeuwige breking

De groote, zachte verzeekring

Dat, wanneer allen versterven, verstijven,

Zij bevallig zal blijven.


En als ik ga gehaast,

Genaderd en genaast

Door den jagenden dood,

Hoor in den troost

Van 't eendre golfgeruisch,

Dat is als het vermengd gejuich

Van al haar schipbreuklingen, al haar

meeuwen,

Aanbreken over de eeuwen,

Die mij verzwijgen en verteren.


Zij heeft geen andre vormen

Dan de borsten van haar golven,

En geen andre woorden dan de volle

Koren van haar branding en haar stormen.

Maar sidderend belijdt

Eik leven, hoe verfijnd

En schoon 't in 't licht verschijnt,


De wankele kortstondigheid

Van zijn bekoorlijkheid

Voor de geweldige eentonigheid van 't

grootsche

En de onsterfelijke lieflijkheid van 't

doodsche.


J.Slauerhoff

De zee is het enige leven dat zich uitstrekt van oorsprong tot einde. Terwijl alle andere vormen van bestaan slechts kort ontwaken en weer verdwijnen, blijft zij onophoudelijk aanwezig. In haar eeuwige golfslag schenkt zij een zachte, doch betrouwbare zekerheid, dat als alles verstilt en vergaat, zij nog altijd gracieus zal voortbestaan.

Wanneer mijn eigen einde nadert, opgejaagd door de dood, hoor ik in haar geruis een troost. Het geluid van de golven is als een samengevoegd gejuich van allen die ooit ten onder gingen in haar diepte, samen met het geschreeuw van de meeuwen. Het is een eeuwig koor dat zich over de eeuwen uitstrekt en dat mij zal opnemen, verzwijgen en verteren. De zee kent geen andere vormen dan de rondingen van haar golven, geen andere taal dan het gezang van storm en branding. En toch erkent elk leven, hoe verfijnd en schoon het ook in het licht verschijnt, zijn eigen broze kortstondigheid tegenover haar overweldigende eentonigheid. Want in die monotonie schuilt iets groots, namelijk de onsterfelijke lieflijkheid van het dode, dat in haar altijd weer hervormd en herhaald wordt.

                                                               ---

Catastrophe


Hun vijver werd moeras,

Rust werd gevaar,

En nimfen zonken 

Zwaar toen zij niet

Meer zwemmen konden.


Het bleekgroen riet

Week, door zwart poelgewas

Verstikt en overwoekerd,

Van de verwischte oevren.


Toen enklen bovendreven,

Gezwollen als verworgden,

De haren los,

Doken die overleefden

Dieper in 't bosch.


Maar steeds naar de ramp getrokken,

Zagen zij andere dooden

Die niet verdronken:

Zij die niet vloden,


Liggend in 't slib, de voeten

Domplend in drabbig water,

Een prooi voor iedren sater,

Wiens bronst hen komt bezoeken.


J.Slauerhoff


Catastrophe vertaald in proza:

Wat eens een vijver van rust was, een spiegel van stilte, keerde zich om in een moeras. Het vertrouwde water, dat ooit een toevlucht bood, werd een valstrik. Waar licht en speelsheid huisden, zonken de nimfen, zwaar geworden door hun eigen onmacht, niet langer in staat zich te verheffen boven de golven.

Het bleekgroene riet, dat ooit zacht meebewoog met de wind, werd week en verstikt. Zwart poelgewas kroop eroverheen, als een herinnering die niet meer gewist kan worden en de oevers, ooit helder en begrensd, vervaagden in een onherkenbare schaduw. Enkelen dreven nog boven, opgezwollen als verworgden, hun haren losgeslagen, een beeld van wat verloren ging. De overlevenden, bezwaard door het zien van dit lot, kozen niet voor de open vlakte maar doken dieper het bos in, alsof de duisternis veiliger was dan het licht. Toch bleef de ramp hen trekken. Want wie eenmaal getuige is van ondergang, kan zich niet losmaken. Zij zagen anderen, niet verdronken, maar evenzeer verloren, zoals zij die niet vluchtten, die bleven liggen in het slib, de voeten dompelend in troebel water. Daar, in die stilstand, werden zij een prooi. Niet voor de dood alleen, maar voor de sater, het symbool voor de onverschillige natuur, van de bronst die zich niet stoort aan tragedie. Het leven zelf, in zijn rauwe drift, bezoekt hen, terwijl hun lichamen in de modder wachten.

Ter overdenking van deze poëzie van Slauerhoff, vertaald in proza, wil ik nog een korte filosofische impressie toevoegen. Zo behoeft het moeras niet enkel gezien te worden als een plaats van ondergang, maar tevens als spiegel van de menselijke conditie. Want in elk bestaan schuilt het gevaar dat rust omslaat in verstikking en dat schoonheid wordt overwoekerd door duisternis. Toch toont juist dit beeld van verzonken nimfen en stilgevallen oevers hoe kwetsbaar wij zijn en hoe die kwetsbaarheid de kiem van vernieuwing draagt. Want uit het slib kan nieuw riet groeien, uit de drabbige wateren kan weer een vijver ontstaan. Zoals de sater onverschillig zijn bronst volgt, zo blijft het leven zelf zich voortzetten, ongeacht ramp of verlies. En in dat voortgaan ligt onze mogelijkheid, om niet slecht te hoeven verdrinken in het moeras, maar om het te zien als een cyclus waarin elke catastrofe ook de belofte van een nieuw begin in zich draagt.

                                                                             ---

Het Einde

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land,

Vrat mij onstilbaar wee;

Zooals een gier de lever, want

Ik wist: geen streek geeft mij bestand,

En 'k zocht het ver op zee.


Maar nu ik ver gevaren heb

En lag op den oceaan alleen,

Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen

Niet boren door de kimmen heen,

Voel ik het trekken als een eb


Naar 't verre, vaste, bruine land ...

Nu weet ik: nergens vind ik vree,

Op aarde niet en niet op zee,

Pas aan die laatste smalle ree

Van hout in zand

Jan Slauerhoff  (Uit: Een eerlijk zeemansgraf, 1936)


Het Einde vertaald in proza, met een licht filosofische benadering:

Ooit, toen ik nog geworteld was in het binnenland, knaagde een onverzadigbaar verdriet aan mij. Het was als een roofvogel die de lever verscheurt, een diepe pijn die niet te stillen viel. Ik wist dat geen streek, geen horizon van akkers of bossen mij rust kon schenken. Daarom zocht ik mijn toevlucht in de zee, in het verre en onbegrensde.

Maar nu ik werkelijk ver gereisd heb en alleen lag op de oceaan, waar zelfs de verre eilanden Da Cunha en Sint-Heleen niet door de kimmen breken, voel ik een andere beweging in mij. Het is als de terugtrekking van het water bij eb, dat mij een gevoel van heimwee geeft naar het vaste, aardse, bruine land. 

En zo wordt mij duidelijk, dat nergens vrede is te vinden. Niet in het binnenland, niet op de oceaan. De rust openbaart zich pas aan het uiterste einde, daar waar de laatste smalle strook van hout in zand ligt, de grens van het leven, het graf, de dood. Daar, in die smalle strook tussen aarde en eeuwigheid, onthult zich het definitieve zwijgen. Want het einde is geen vernietiging, maar de poort waardoor het onrustige bestaan zich uiteindelijk oplost in het tijdloze.

                                                                 ---

J.J.v.Verre.

Jan Jacob Slauerhoff, 5 oktober 1936 op zijn sterfbed in Hilversum.


zondag 7 december 2025

In memoriam J.J.Slauerhoff Deel 2.

 

"Mijn leven is een grijze dag, geen zonnige, geen donkere, en 't eindigt zonder storm, zonder helderheid." Dit besef van grijze, meedogenloos voortschrijdende tijd, zonder catharsis of heldhaftigheid, is de kern van Slauerhoff's pessimistische, maar onvergetelijke stem. 


Het Einde

Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond,
Van ouder op kind.

Maar 't speeltuig ligt in 't stof
geworpen
En hij die ze er aan ontlokte
Is nu een afgestompte, verstokte
Dronkaard geworden in de laatste
dorpen.

Nog zweven liedren op den
wind...

J.Slauerhoff

Het gedicht: Het einde,  nu vertaald in poëtisch filosofisch proza.

Nog altijd dragen de winden de echo's van gezangen met zich mee. Zij glijden van mond tot mond, van ouder naar kind, als een onzichtbare erfenis die zich niet laat vastleggen in steen of geschrift, maar enkel in adem en herinnering. Het lied leeft voort in de lucht, in de ademtocht van generaties, alsof de tijd zelf weigert het te laten sterven.
Maar het instrument dat ooit deze klanken schonk, ligt achteloos in het stof. Het hout, eens bezield door handen die het beroerden, is nu slechts een verlaten voorwerp, een relikwie van een vervlogen vreugde. En de speler, die ooit de bron was van melodie en vervoering, is verworden tot een schim van zichzelf, namelijk afgestompt, verstokt, een dronkaard die zijn laatste dagen slijt in vergeten dorpen, waar de horizon nauwer wordt en de hoop dunner.
Toch blijven de liederen zweven. Zij ontsnappen aan het lot van hun maker, overstijgen de vergankelijkheid van het speeltuig en vinden een instrumentale weg naar de toekomst. Het lied is sterker dan de hand die het voortbracht, sterker nog dan de dorst die de ziel verzwakte. Het zweeft en in dat zweven herinnert het ons eraan dat schoonheid niet sterft met de mens, maar zich losmaakt en verder kan gaan, als een stille reiziger door de tijd. Zo wordt elke ademstroom een snaar en elke generatie een resonantiepunt, waar het lied zich herneemt en de toekomst instrumentaal bezielt.
                                                                                 --

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: "Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood niets ontziet en alles slecht."

J. Slauerhoff

De avond viel als een sluier over het huis, dat zich achter gesloten blinden had teruggetrokken in een diepe slaap. Twee mensen zaten naast elkaar op een koude bank, zwijgend, alsof de dag zelf ziek en uitgeput was geworden. Buiten fluisterden de bladeren, gedragen door vermoeide winden en hun stemmen droegen de geur van vergane rozen en oude graven. Het was alsof de natuur zelf de last van vergankelijkheid moest torsen. Verwarde hagen, armzalig loof en alles groeiend rondom de stenen die de doden markeren. In die stilte werd weinig gedacht en nog minder gezegd. De handen van de ander rustten zacht om het hoofd, een gebaar dat meer sprak dan woorden konden zeggen. Het was een gebaar van troost, maar ook van erkenning van een harde waarheid. De waarachtigheid dat zelfs de grootste liefde niet bestand is tegen de dood. De dood die niets ontziet, die alles aantast en die uiteindelijk de menselijke verbondenheid overstemd.
Toch ligt er in dit besef een paradoxale schoonheid. Want juist in het zwijgen, in het gebaar van nabijheid, ontstaat een moment van een transcenderende waarheid dat de grenzen van liefde en sterfelijkheid zichtbaar maakt. Het is een ontmoeting met de eindigheid, waarin de liefde niet overwint, maar wel getuigt van haar spirituele intensiteit. Zo wordt de stilte zelf tot een instrument van herinnering, waarin de eindigheid niet sluit, maar opent en de liefde haar intensiteit laat voortleven als een onzichtbare melodie in de tijd. De filosofische kern van dit tafereel is dat liefde niet almachtig is, maar juist in haar kwetsbaarheid betekenis krijgt.
Het is eigenlijk een meditatie over de verhouding tussen liefde en dood. Waarbij de dood als een onvermijdelijke horizon kan worden gezien en de liefde als een tijdelijke, maar diep spirituele kracht. Het is geen triomf van liefde boven sterfelijkheid, maar een erkenning dat juist in het besef van haar beperking de liefde haar meest intieme gestalte vindt.
                                                                               --

In Nederland

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijsen van mijn lust zal zich geen
reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenoten smaden mij: "Hij is
mislukt."
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om 't welzijn van zijn medemensen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ransien dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandelen zonder reden
Getuigt van tuchteloze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Lelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen...
Daar lopen allen met een stijve boord
-Uit stijlgevoel niet, om te tonen
Dat men wel weet hoe het behoort-
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerlozen gekweld,
Nooit wordt zo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.

J. Slauerhoff ( Uit: Al dwalend 1947).

Het gedicht In Nederland nu herschreven in proza:

Nederland verschijnt hier als een land waarin het individu voortdurend wordt ingeperkt door sociale conventies en het alziende oog van de gemeenschap. Het is een samenleving waarin men zijn verlangens moet beteugelen, niet uit innerlijke noodzaak, maar uit angst voor de buren die oplettend door elk venster gluren. Vrijheid van hartstocht en expressie lijkt onmogelijk, want de mens wordt gedwongen tot beheersing en schijnheiligheid. Daarom verlangt de dichter naar de uitgestrekte steppen, waar de natuur onverschillig blijft voor menselijke uitbarstingen en waar de roep van de lust geen vogel verschrikt en geen dier zijn tred doet versnellen. Daar, in de leegte, kan men werkelijk vrij zijn.
Ook de dood in Neerland wordt afgewezen. Het idee om weg te rotten in de natte grond van een land waarin men nooit werkelijk heeft geleefd, is voor de dichter ondraaglijk. Hij kiest liever voor een eeuwige zwerftocht, een nomadisch bestaan dat weliswaar onzeker is, maar niet verstikkend. Zijn landgenoten veroordelen hem als mislukt, maar juist hun oordeel bevestigt zijn vrijheid, dat wil zeggen hij kan hen niet meer schaden en toch blijft hun afwijzing als een schaduw op zijn bestaan drukken.
Het leven in Nederland wordt gekenmerkt door een constante drang naar streven, naar het dienen van het welzijn van anderen. Maar dit streven is niet authentiek, het is een façade van moraliteit waarin men slechts in het geheim mag krenken, nooit openlijk. De ware hartstocht, de spontane uitbarsting, wordt verboden. Geweld zonder reden wordt als tuchteloos veroordeeld, maar achter deze veroordeling schuilt een samenleving die hypocrisie verkiest boven eerlijkheid.
De huizen van Nederland zijn smal, de steden en dorpen ontsierd door lelijkheid die zich in duizendtallen heeft opgestapeld. Het leven daar is uniform en stugheid overheerst. Op zondag paradeert men in zwarte kledij, niet uit vreugde of authenticiteit, maar uit plichtsgevoel en de wens te tonen dat men weet hoe het hoort. Het is een samenleving van stijve boorden en lege rituelen.
Blijven in Nederland betekent verstijven, dichtgroeien, verstikken. Het land is te kalm, te deftig, te langzaam. Er is geen ruimte voor heftigheid, geen plaats voor het dansen op het slappe koord van het bestaan. De ware passie, de mooie maar gevaarlijke uitbarsting van het leven, ontbreekt. In plaats daarvan worden de weerlozen gekweld en blijft de brutale boerenkop onaangedaan. Het tragische is dat er nooit een lekkere, hartstochtelijke misdaad plaatsvindt en zeker nooit een daad die de intensiteit van het leven bevestigt. Nederland als een land van beklemming, verstarring en hypocrisie. Verlangend naar een bestaan dat vrij is van sociale controle, waar hartstocht en zwerven mogelijk zijn, zelfs als dat een leven in ballingschap betekent. Een ultieme strijdkreet van de ziel. Zijn afwijzing van Nederland is geen louter geografische keuze, maar een filosofische weigering om te leven in een cultuur die de vrijheid van de ziel verstikt. Alleen daar waar de horizon geen grenzen kent, kan de ziel haar ware vrijheid ervaren.
                                                                              ---

J.J.v.Verre.






woensdag 3 december 2025

In memoriam J.J. Slauerhoff.

 

J.Slauerhoff (1898-1936), in rode kimono met Chinese dokterskoffer op schoot, geschilderd door Rob Schotsman.


Een vrije,  spirituele interpretatie van enkele bijzondere gedichten van Slauerhoff:

Voor de verre Prinses

Wij komen nooit meer saam:

De wereld drong zich tusschenbeide

Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,

Maar andre sterren zien we in andre tijden.


Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd:

Van licht tot verste duisternis - dat ik

Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,

U zou begroeten met mijn stervenssnik.


Maar als het waar is dat door grote dromen

Het zwaarst verlangen over wordt gebracht

Tot op de verste ster : dan zal ik komen,

Dan zal ik komen, iedren nacht.


J. Slauerhoff.


Wij zullen elkaar niet meer werkelijk ontmoeten. De orde van de wereld heeft zich tussen ons geplaatst, als een ondoordringbare structuur van omstandigheden en tijd. Soms staan we beiden in de nacht voor een venster, maar de hemel die wij aanschouwen is niet dezelfde: de sterren die ons begeleiden verschijnen in andere tijden, onder andere constellaties.

Uw land ligt zo ver verwijderd van het mijne, dat de afstand zich uitstrekt van het licht tot de uiterste duisternis. Wanneer ik mij, gedragen door de vleugels van verlangen, rusteloos zou verplaatsen, dan zou mijn begroeting slechts de laatste ademtocht zijn, als een stervenssnik die de grens van mijn bestaan markeert.

Toch blijft er een gedachte die zich niet laat ontkennen: dat grote dromen het vermogen bezitten om het zwaarste verlangen te dragen en dat zij de brug vormen naar het meest afgelegen punt van het universum. Indien dit waar is, zal ik u bereiken. Niet in de dag, maar in de nacht, telkens opnieuw, als een terugkerende beweging van ziel tot ziel.

Indien waar  dat grootse dromen het verlangen

over nachtelijke vlakten zeilen naar de verste ster,

dan ben ik de terugkeer die elke afstand opheft.

Mijn komst is een wet van de droom: tijdloos, getrouw.

Ik word het punt waar het gemis zich omkeert tot

aanwezigheid, iedere nacht opnieuw.


Verleden

Ik denk aan 't eiland waar 'k niet meer zal komen:

't Is bijna niet uit zee te zien, zoo smal;

Het kleine dorp dat ik niet noemen zal

Ligt diep achter den dijk onder zijn

boomen-

En aan de vrouw bij wie 'k niet meer zal

komen:

Met haar lag ik één stormigen nacht

tezaam,

De onrustige nachtwind rukte aan het oude 

raam;

Zij lag zeer stil en mompelde een naam

Dien 'k niet meer weet, maar draag in al

mijn droomen.


J. Slauerhoff 


Ik denk aan het eiland Vlieland waar ik niet meer zal terugkeren. Een strook land, zo smal dat de zee het haast verzwijgt, alsof het slechts een gedachte is die zich niet volledig durft te tonen. Achter de dijk, onder de schaduw van bomen, ligt een dorp dat ik niet bij naam noem, want namen zijn te scherp voor herinneringen die zacht moeten blijven. Daar, in dat dorp, was een nacht die zich in mij heeft vastgezet. Een stormige nacht waarin de wind rukte aan het oude raam, alsof de wereld zelf wilde binnendringen in onze beslotenheid. Naast mij lag een vrouw, stil, bijna onbewogen, en zij fluisterde een naam. Die naam is mij ontschoten, maar het vergeten is slechts schijn: in mijn dromen draagt hij zich voort, als een echo van iets dat niet meer te grijpen is.


Woorden in den Nacht


Voel je hoe ik naar je toe kom?

Je bent naakt in den nacht.


Wacht, ik doe eerst een doek om

Nog niet, nog niet.


Liefkoos mij, zacht.

Zeg dat je mij mooi vindt

En alleen door te streelen

In 't donker, mij ziet.


Zullen wij spelen,

Dat wie 't eerste lacht,

Moet ondergaan

Wat de ander bedacht?


O, laat het doorgaan,

Totdat wij doodgaan

Alles was hierna komt

Is niets dan Dood vermomd

In schijn van Leven.


Neem mij weer, wacht nog even.


J. Slauerhoff.


Een poëtisch filosofische herschrijving van Woorden in de nacht:

Voel je hoe mijn aanwezigheid zich naar jou uitstrekt? In de stilte van de nacht sta je onbedekt, kwetsbaar en zuiver. Ik aarzel, ik wil eerst een sluier omhangen, een teken dat de ontmoeting nog niet voltooid is, dat het verlangen zich langzaam ontvouwt. Raak mij aan, behoedzaam. Bevestig dat schoonheid slechts zichtbaar wordt wanneer zij in het donker tastend wordt herkend, wanneer het oog zwijgt en de hand spreekt. Laat ons een spel beginnen: dat wie het eerste lacht, zich overgeeft aan de gedachte die de ander heeft bedacht. Zo wordt vreugde een poort naar overgave. Laat dit voortduren, zonder einde, totdat de dood ons bereikt. Want alles wat daarna verschijnt is slechts de dood vermomd als leven, een schijn die de essentie verhult. Neem mij opnieuw, maar wacht nog even: want in dit uitstel ligt de eeuwigheid besloten en in dit wachten wordt het sterven zelf tot een vorm van liefde.

                                                              ---


Kon ik eenmaal toch...

Kon ik eenmaal toch jouw dans weergeven

In een van het woord bevrijd gedicht,

Eenmaal even vrij en lenig zweven

Als jij in de lucht en in het licht


Met je lichaam doet, dat toch niet even

Los van de aarde is als wat ik dicht,

Zich met moeite van de grond opricht,

Zwaarder dan mijn geest, en toch kan

zweven.


Jij kunt met een wending, een gebaar

Woede, weemoed en geluk weergeven,

Waar ik honderd woorden over doe.


Denken is het lichtst, toch wordt het zwaar,

En de dans kan 't lieve lichaam geven

Ziel en zaligheid, en nimmermoe.


J. Slauerhoff.


De dans als filosofische resonantie.

Ik stel mij voor dat ik eenmaal jouw dans zou kunnen weergeven in een gedicht dat bevrijd is van woorden. Een gedicht dat niet gebonden is aan taal, maar dat zweeft zoals jij zweeft: vrij, lenig, licht, gedragen door lucht en licht. Jouw lichaam doet wat mijn geest slechts in verbeelding kan: het verheft zich van de aarde, niet volledig los, maar toch in een beweging die de zwaarte tart. Waar mijn woorden moeizaam opstijgen, stijgt jouw lichaam vanzelf, alsof het een eigen taal spreekt die geen vertaling behoeft. Met een enkele wending, een gebaar, kun jij woede, weemoed en geluk zichtbaar maken. Ik zou er honderd woorden voor nodig hebben en zelfs dan zou ik slechts een schaduw van jouw uitdrukking vangen. De dans is een direct spreken van het lichaam, een taal die geen grammatica kent, maar wel een ziel. Denken lijkt het lichtst, maar draagt een verborgen zwaarte. Het weegt, het vertraagt, het bindt. De dans daarentegen schenkt het lichaam ziel en zaligheid, een onuitputtelijke bron van beweging die nooit moe wordt. In de dans wordt het lichaam een instrument van de geest en de geest een adem van het lichaam. Zo wordt de dans een filosofisch gebaar: een herinnering dat vrijheid niet in woorden huist, maar in de beweging die ons tilt boven de zwaarte van het bestaan. Dit gedicht schreef hij voor zijn echtgenote, de danseres Darja Collin (gehuwd 1930-1935).

                                                                       ---


Woninglooze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Nooit vond ik ergens onderdak;

Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,

Een tent werd door de stormwind meegenomen.


Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,

Zolang ik weet dat ik in wildernis,

In steppen, stad en woud dat onderkomen

Kan vinden, deert mij geen bekommernis.


Het zal lang duren, maar de tijd zal komen

Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt

En tevergeefs om zachte woorden smeekt,

Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde

Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de

Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.


J. Slauerhoff.


Ik heb nooit een huis gevonden dat mij werkelijk droeg. De haard was mij te smal, de muren te stil en de tenten van mijn zwervend bestaan werden telkens door stormen weggerukt. Alleen in de taal, in het weefsel van mijn verzen, vond ik een plek waar ik kon rusten, waar ik kon ademen. Zolang ik weet dat ik in woorden een schuilplaats kan vinden of ik nu door steppen dwaal, door steden zwerf, of in bossen verdwaal, is er geen zorg die mij werkelijk neerslachtig maakt. Maar ik weet: er komt een dag dat de nacht mij zal treffen zonder de oude kracht, dat ik vergeefs naar zachte woorden zal reiken, woorden waarmee ik ooit een huis van taal kon bouwen. Dan zal de aarde zelf mijn laatste onderdak zijn en zal ik mij neerbuigen naar de plek waar het graf zich opent in de stilte van het donker.

Een leven dat nergens thuis kon zijn, behalve in de taal, tot de taal zelf verstilt en de aarde het laatste huis wordt. Maar zelfs daar, waar de aarde omsluit, opent de horizon zich als een onuitsprekelijk gedicht dat nooit voltooid raakt. Want in dat laatste huis van aarde en taal wordt het bestaan niet begraven, maar herboren in de eeuwige resonantie van het onuitgesproken, de echo van het verlangen zelf, waarin stilte en horizon samensmelten en transcenderen tot een volmaakt gedicht.

                                                                    ---


J.J.v.Verre.



 

De spirituele psychiater.

 

De shrink sprak niet om te genezen, maar om de liefde te leren klinken, als een partituur die pas leeft wanneer zij wordt gespeeld in woorden, gebaren en een warm bad van erkenning. De liefde leeft niet alleen in stilte, maar verlangt naar de klank waarmee zij zichzelf herkent.


Goedemiddag meneer de Groot, fijn dat u de weg naar mijn praktijk hebt gevonden. U heeft uw huiswerk ook voortreffelijk gedaan, zodat we samen snel aan de slag kunnen gaan. Ik lees nog even voor uit uw eigen werk: “Ik ben als man veel met eigen dingen bezig en neem te weinig tijd om mijn echtgenote de nodige aandacht als goed uitziende, geestige en lieve vrouw te geven. Ik zeg volgens haar bijna nooit meer ik hou van je of wat zie je er toch weer aantrekkelijk uit. Ik denk die dingen wel, maar zeg ze hoogst sporadisch en volgens mijn vrouw nooit. Ik denk zelf altijd: Ze voelt toch wel dat ik van haar hou en dat ik haar aantrekkelijk vind. Op spiritueel niveau moet dat toch ook kunnen werken, denk ik zelf, maar mijn vrouw vindt dat niet genoeg. Ik probeer dan een tijdje lieve dingen tegen haar te zeggen, maar dat verwatert dan weer snel, omdat het voor mij wat onnatuurlijk overkomt. En daarna zijn we eigenlijk geen stap verder gekomen. Vandaar mijn beroep op uw deskundigheid “.

Tja, meneer de Groot, ik begrijp uw partner heel goed en we zullen dit op een spirituele manier moeten benaderen, omdat u daar toch een bepaalde affiniteit bij voelt. Anders was u ook niet bij mij gekomen.

Allereerst is dit een heel herkenbaar en essentieel dilemma in veel relaties. U schetst een universele spanning tussen de innerlijke werkelijkheid ( “ik denk het wel “) en de uiterlijke expressie ( “ze wil het horen “). Meneer de Groot, laten we dit op een filosofische manier benaderen, niet als een probleem, maar als een kans voor verdieping. Uw gedachte: “Ze voelt het toch wel “, is op spiritueel niveau wellicht waar. Er bestaat ongetwijfeld een diepe, stille verbinding tussen jullie. Maar…...meneer de Groot, de mens is geen puur spiritueel wezen, want wij zijn ook zintuiglijk, lichamelijk voelend en talig. Met “ talig ” bedoel ik dat de mens zo is geschapen dat hij de onzichtbare landschappen van zijn ziel, zoals gevoelens, liefde en verbinding moet vertalen naar de zichtbare, hoorbare wereld van woorden en gebaren, om ze werkelijk te laten bestaan in relatie met een ander. Het is de brug tussen de eenzaamheid van het eigen hart en de verbinding met het hart van een geliefde. Dus de liefde ook van uw geliefde, wil niet alleen gevoeld worden, zij wil ook vorm krijgen in de tastbare wereld. Voor uw vrouw zijn woorden en blikken niet slechts informatie, het is voor haar de belichaming van uw liefde. Het is de stof waarin de onzichtbare verbinding zichtbaar en voelbaar wordt gemaakt, net zoals de bevroren haren van uw Raclette de ongrijpbare kou tastbaar maakten. Hoe weet u dat? Dat heb ík u niet geschreven!! Meneer de Groot ik ken toch uw armlastige proza!!

Het gevoel dat het “onnatuurlijk “ aanvoelt om iets te zeggen, komt niet omdat de liefde niet echt is, maar omdat de taal ervoor is verstoft en daardoor niet overtuigend genoeg. De spier van de expressie is stijf geworden. U zult zich mogelijk moeten beraden op een meer aansprekend woordgebruik. Elke nieuwe gewoonte voelt in eerste instantie onwennig, totdat zij een tweede natuur wordt. U zult dat zeker kunnen bereiken als gekunsteld schrijver. Nou dank u, van je psychiater moet je het maar horen, dat had ik niet zien aankomen.

Meneer de Groot, ik zal u een bescheiden filosofisch perspectief aanbieden om mee naar huis te nemen. Zie het niet als een plicht, maar als een vorm van kunst. U bent de man die in staat was om de schoonheid van bevroren haren in een levend schilderij te zien. Richt diezelfde, poëtische blik nu op de vrouw die al decennia lang aan uw zijde staat.

Begin met waarneming en niet meteen met die grote ongemakkelijke zin: Ik hou van jou. Begin met het concrete, dat wat je ogen je vertellen. Dat is nooit onnatuurlijk, het is slechts een eerlijk verslag van wat uw ogen zien. “ Die kleur staat je goed “ of “ik keek net even naar je en moest toen denken aan……….bijvoorbeeld die wandeling in Crans Montana.” De zin: “Wat ruik je toch lekker “ doet het ook altijd goed als observatie. Maak van deze expressie een klein, maar dagelijks ritueel. Een kus bij het opstaan, ook al heb je je tanden nog niet gepoetst. Niet als automatisme, maar met een seconde van echte, oprechte aandacht. Een hand op haar schouder als je langs loopt. Deze stille gebaren zijn een even krachtige taal als woorden. Meneer de Groot, u moet het zo zien, het gaat om de essentie. Uw spirituele verbinding is de partituur. Maar uw vrouw verlangt naar de muziek. De woorden en gebaren zijn niet de liefde zélf, maar zij zijn de klank ervan. Want zonder die klank verstomt de muziek, hoe mooi en verrassend de partituur ook is. Door de liefde te verklanken, geeft u haar niet alleen aan uw vrouw, maar tegelijkertijd verrijkt en bevestigt u haar ook voor uzelf. Dit is de wederkerige magie van expressie waarin liefde zo graag bloeit. De daad van geven is tegelijk een daad van ontvangen. De cirkel is niet pas rond wanneer zij het hoort en reageert, nee de cirkel is direct rond op het moment dat u het uitspreekt, omdat u op dat moment de brug tussen uw gevoel en de wereld activeert. U voedt niet alleen haar ziel, maar ook de levende realiteit van de liefde in uw eigen leven. Het is de ultieme beoefening van de liefde, het is de kunst om haar niet alleen te zijn, maar ook te doen. Ik bedoel hiermee dat de ware, volwassen liefde pas compleet is in de wisselwerking tussen het innerlijke zijn en het uiterlijke doen. Het “ doen “ is niet onecht of ondergeschikt, maar is de onmiskenbare vervulling van het “ zijn “. Het is weer diezelfde brug die uw innerlijke wereld verbindt met de hare. Door de liefde te doen, geeft u haar vorm in de gedeelde, tastbare werkelijkheid. U nodigt uw vrouw niet langer uit om te geloven in iets dat onzichtbaar is, maar laat haar erin baden met al haar vrouw-zijn. En nog even een warm aanbevolen tip die losstaat van de ongrijpbare spirituele verbinding, maar een overgang inleidt naar een tastbare emotionele realiteit. Meneer de Groot, geef haar een warm bad van erkenning waar haar hele wezen in kan rusten. Ik bedoel daar mee, dat u voor haar als verrassing een warm bad met schuim laat vollopen. Heeft u nog vragen meneer de Groot?


J.J.v.Verre.


De beschermengel.

 


                                   Beschermengel.

Waar angst verdwijnt, verschijnt het licht van vertrouwen, gedragen door vleugels van liefde.


vleugels van stralen geweven

dragen mij zo effen en zacht

licht zonder schaduw te geven

dwaal ik rond in lucide vacht


beschermen zonder te slapen

stil waken en onzichtbaar nabij

wacht op de komende taken

zonder mij geen dag voorbij


gedragen door licht van liefde

waar angst en pijn verdwijnt

was ongeloof dat mij griefde

tot je bede aan mij verschijnt.


J.J.v.Verre.