J.Slauerhoff (1898-1936), in rode kimono met Chinese dokterskoffer op schoot, geschilderd door Rob Schotsman.
Een vrije, spirituele interpretatie van enkele bijzondere gedichten van Slauerhoff:
Voor de verre Prinses
Wij komen nooit meer saam:
De wereld drong zich tusschenbeide
Soms staan wij beiden 's nachts aan 't raam,
Maar andre sterren zien we in andre tijden.
Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd:
Van licht tot verste duisternis - dat ik
Op vleuglen van verlangen rustloos reizend,
U zou begroeten met mijn stervenssnik.
Maar als het waar is dat door grote dromen
Het zwaarst verlangen over wordt gebracht
Tot op de verste ster : dan zal ik komen,
Dan zal ik komen, iedren nacht.
J. Slauerhoff.
Wij zullen elkaar niet meer werkelijk ontmoeten. De orde van de wereld heeft zich tussen ons geplaatst, als een ondoordringbare structuur van omstandigheden en tijd. Soms staan we beiden in de nacht voor een venster, maar de hemel die wij aanschouwen is niet dezelfde: de sterren die ons begeleiden verschijnen in andere tijden, onder andere constellaties.
Uw land ligt zo ver verwijderd van het mijne, dat de afstand zich uitstrekt van het licht tot de uiterste duisternis. Wanneer ik mij, gedragen door de vleugels van verlangen, rusteloos zou verplaatsen, dan zou mijn begroeting slechts de laatste ademtocht zijn, als een stervenssnik die de grens van mijn bestaan markeert.
Toch blijft er een gedachte die zich niet laat ontkennen: dat grote dromen het vermogen bezitten om het zwaarste verlangen te dragen en dat zij de brug vormen naar het meest afgelegen punt van het universum. Indien dit waar is, zal ik u bereiken. Niet in de dag, maar in de nacht, telkens opnieuw, als een terugkerende beweging van ziel tot ziel.
Indien waar dat grootse dromen het verlangen
over nachtelijke vlakten zeilen naar de verste ster,
dan ben ik de terugkeer die elke afstand opheft.
Mijn komst is een wet van de droom: tijdloos, getrouw.
Ik word het punt waar het gemis zich omkeert tot
aanwezigheid, iedere nacht opnieuw.
Verleden
Ik denk aan 't eiland waar 'k niet meer zal komen:
't Is bijna niet uit zee te zien, zoo smal;
Het kleine dorp dat ik niet noemen zal
Ligt diep achter den dijk onder zijn
boomen-
En aan de vrouw bij wie 'k niet meer zal
komen:
Met haar lag ik één stormigen nacht
tezaam,
De onrustige nachtwind rukte aan het oude
raam;
Zij lag zeer stil en mompelde een naam
Dien 'k niet meer weet, maar draag in al
mijn droomen.
J. Slauerhoff
Ik denk aan het eiland Vlieland waar ik niet meer zal terugkeren. Een strook land, zo smal dat de zee het haast verzwijgt, alsof het slechts een gedachte is die zich niet volledig durft te tonen. Achter de dijk, onder de schaduw van bomen, ligt een dorp dat ik niet bij naam noem, want namen zijn te scherp voor herinneringen die zacht moeten blijven. Daar, in dat dorp, was een nacht die zich in mij heeft vastgezet. Een stormige nacht waarin de wind rukte aan het oude raam, alsof de wereld zelf wilde binnendringen in onze beslotenheid. Naast mij lag een vrouw, stil, bijna onbewogen, en zij fluisterde een naam. Die naam is mij ontschoten, maar het vergeten is slechts schijn: in mijn dromen draagt hij zich voort, als een echo van iets dat niet meer te grijpen is.
Woorden in den Nacht
Voel je hoe ik naar je toe kom?
Je bent naakt in den nacht.
Wacht, ik doe eerst een doek om
Nog niet, nog niet.
Liefkoos mij, zacht.
Zeg dat je mij mooi vindt
En alleen door te streelen
In 't donker, mij ziet.
Zullen wij spelen,
Dat wie 't eerste lacht,
Moet ondergaan
Wat de ander bedacht?
O, laat het doorgaan,
Totdat wij doodgaan
Alles was hierna komt
Is niets dan Dood vermomd
In schijn van Leven.
Neem mij weer, wacht nog even.
J. Slauerhoff.
Een poëtisch filosofische herschrijving van Woorden in de nacht:
Voel je hoe mijn aanwezigheid zich naar jou uitstrekt? In de stilte van de nacht sta je onbedekt, kwetsbaar en zuiver. Ik aarzel, ik wil eerst een sluier omhangen, een teken dat de ontmoeting nog niet voltooid is, dat het verlangen zich langzaam ontvouwt. Raak mij aan, behoedzaam. Bevestig dat schoonheid slechts zichtbaar wordt wanneer zij in het donker tastend wordt herkend, wanneer het oog zwijgt en de hand spreekt. Laat ons een spel beginnen: dat wie het eerste lacht, zich overgeeft aan de gedachte die de ander heeft bedacht. Zo wordt vreugde een poort naar overgave. Laat dit voortduren, zonder einde, totdat de dood ons bereikt. Want alles wat daarna verschijnt is slechts de dood vermomd als leven, een schijn die de essentie verhult. Neem mij opnieuw, maar wacht nog even: want in dit uitstel ligt de eeuwigheid besloten en in dit wachten wordt het sterven zelf tot een vorm van liefde.
---
Kon ik eenmaal toch...
Kon ik eenmaal toch jouw dans weergeven
In een van het woord bevrijd gedicht,
Eenmaal even vrij en lenig zweven
Als jij in de lucht en in het licht
Met je lichaam doet, dat toch niet even
Los van de aarde is als wat ik dicht,
Zich met moeite van de grond opricht,
Zwaarder dan mijn geest, en toch kan
zweven.
Jij kunt met een wending, een gebaar
Woede, weemoed en geluk weergeven,
Waar ik honderd woorden over doe.
Denken is het lichtst, toch wordt het zwaar,
En de dans kan 't lieve lichaam geven
Ziel en zaligheid, en nimmermoe.
J. Slauerhoff.
De dans als filosofische resonantie.
Ik stel mij voor dat ik eenmaal jouw dans zou kunnen weergeven in een gedicht dat bevrijd is van woorden. Een gedicht dat niet gebonden is aan taal, maar dat zweeft zoals jij zweeft: vrij, lenig, licht, gedragen door lucht en licht. Jouw lichaam doet wat mijn geest slechts in verbeelding kan: het verheft zich van de aarde, niet volledig los, maar toch in een beweging die de zwaarte tart. Waar mijn woorden moeizaam opstijgen, stijgt jouw lichaam vanzelf, alsof het een eigen taal spreekt die geen vertaling behoeft. Met een enkele wending, een gebaar, kun jij woede, weemoed en geluk zichtbaar maken. Ik zou er honderd woorden voor nodig hebben en zelfs dan zou ik slechts een schaduw van jouw uitdrukking vangen. De dans is een direct spreken van het lichaam, een taal die geen grammatica kent, maar wel een ziel. Denken lijkt het lichtst, maar draagt een verborgen zwaarte. Het weegt, het vertraagt, het bindt. De dans daarentegen schenkt het lichaam ziel en zaligheid, een onuitputtelijke bron van beweging die nooit moe wordt. In de dans wordt het lichaam een instrument van de geest en de geest een adem van het lichaam. Zo wordt de dans een filosofisch gebaar: een herinnering dat vrijheid niet in woorden huist, maar in de beweging die ons tilt boven de zwaarte van het bestaan. Dit gedicht schreef hij voor zijn echtgenote, de danseres Darja Collin (gehuwd 1930-1935).
---
Woninglooze
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens onderdak;
Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door de stormwind meegenomen.
Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Zolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat vóór de nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.
J. Slauerhoff.
Ik heb nooit een huis gevonden dat mij werkelijk droeg. De haard was mij te smal, de muren te stil en de tenten van mijn zwervend bestaan werden telkens door stormen weggerukt. Alleen in de taal, in het weefsel van mijn verzen, vond ik een plek waar ik kon rusten, waar ik kon ademen. Zolang ik weet dat ik in woorden een schuilplaats kan vinden of ik nu door steppen dwaal, door steden zwerf, of in bossen verdwaal, is er geen zorg die mij werkelijk neerslachtig maakt. Maar ik weet: er komt een dag dat de nacht mij zal treffen zonder de oude kracht, dat ik vergeefs naar zachte woorden zal reiken, woorden waarmee ik ooit een huis van taal kon bouwen. Dan zal de aarde zelf mijn laatste onderdak zijn en zal ik mij neerbuigen naar de plek waar het graf zich opent in de stilte van het donker.
Een leven dat nergens thuis kon zijn, behalve in de taal, tot de taal zelf verstilt en de aarde het laatste huis wordt. Maar zelfs daar, waar de aarde omsluit, opent de horizon zich als een onuitsprekelijk gedicht dat nooit voltooid raakt. Want in dat laatste huis van aarde en taal wordt het bestaan niet begraven, maar herboren in de eeuwige resonantie van het onuitgesproken, de echo van het verlangen zelf, waarin stilte en horizon samensmelten en transcenderen tot een volmaakt gedicht.
---
J.J.v.Verre.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten