We staan op de oever van het bestaan, kijken uit over een zee van stilte waar geen boot ligt te wachten. De oversteek is geen reis, maar een ontbinding. Wij zijn het veer dat overgaat in water, de wijn die zich vermengt met de rivier. Wat "ik " heette, lost op in het grotere "wij " van de wind, het geheugen van de stenen, het donkere lied van de wortels onder het mos. Er is geen kaart. Er is alleen de vallende kier tussen voorheen en straks, een kier waar de tijd zelf doorheen lekt. Wie daar doorheen glijdt, wordt een herinnering in de adem van wie blijft. Een flard in de droom van een vreemde, een rimpeling in een plas waar later de maan in zal kijken. Misschien is daarna niet een plek, maar een terugkeer. Alsof een druppel zich herinnert dat zij de oceaan is. Alsof het licht dat eeuwen door de ruimte reist, eindelijk beseft dat het geen reiziger was, maar de reis zelf. Wij waren nooit de vlam, slecht het dansen ervan. Het dansen stopt. Het vuur......het vuur blijft. En wat overblijft is geen antwoord, maar een weerklank. Een vraag die nagalmt in het lege vertrek van het heelal. Waren wij ooit gescheiden, of hebben wij ons alleen maar ingebeeld dat wij alleen waren? In het verdwijnen ligt het antwoord, zachter dan stilte, ouder dan namen. Wij gaan niet heen. Wij worden teruggegeven. Aan het duister dat ons droeg, aan het licht dat ons vergat. En uiteindelijk, in die laatste ontvouwing van wat "ik " was, vallen alle vragen weg en blijft slechts het antwoord achter, niet als woord, maar als de voltooide stilte waaruit elk verhaal, opnieuw en opnieuw, voor het eerst begint.
J.J.v.Verre.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten