zondag 7 december 2025

In memoriam J.J.Slauerhoff Deel 2.

 

"Mijn leven is een grijze dag, geen zonnige, geen donkere, en 't eindigt zonder storm, zonder helderheid." Dit besef van grijze, meedogenloos voortschrijdende tijd, zonder catharsis of heldhaftigheid, is de kern van Slauerhoff's pessimistische, maar onvergetelijke stem. 


Het Einde

Nog zweven liedren op den wind
En gaan van mond tot mond,
Van ouder op kind.

Maar 't speeltuig ligt in 't stof
geworpen
En hij die ze er aan ontlokte
Is nu een afgestompte, verstokte
Dronkaard geworden in de laatste
dorpen.

Nog zweven liedren op den
wind...

J.Slauerhoff

Het gedicht: Het einde,  nu vertaald in poëtisch filosofisch proza.

Nog altijd dragen de winden de echo's van gezangen met zich mee. Zij glijden van mond tot mond, van ouder naar kind, als een onzichtbare erfenis die zich niet laat vastleggen in steen of geschrift, maar enkel in adem en herinnering. Het lied leeft voort in de lucht, in de ademtocht van generaties, alsof de tijd zelf weigert het te laten sterven.
Maar het instrument dat ooit deze klanken schonk, ligt achteloos in het stof. Het hout, eens bezield door handen die het beroerden, is nu slechts een verlaten voorwerp, een relikwie van een vervlogen vreugde. En de speler, die ooit de bron was van melodie en vervoering, is verworden tot een schim van zichzelf, namelijk afgestompt, verstokt, een dronkaard die zijn laatste dagen slijt in vergeten dorpen, waar de horizon nauwer wordt en de hoop dunner.
Toch blijven de liederen zweven. Zij ontsnappen aan het lot van hun maker, overstijgen de vergankelijkheid van het speeltuig en vinden een instrumentale weg naar de toekomst. Het lied is sterker dan de hand die het voortbracht, sterker nog dan de dorst die de ziel verzwakte. Het zweeft en in dat zweven herinnert het ons eraan dat schoonheid niet sterft met de mens, maar zich losmaakt en verder kan gaan, als een stille reiziger door de tijd. Zo wordt elke ademstroom een snaar en elke generatie een resonantiepunt, waar het lied zich herneemt en de toekomst instrumentaal bezielt.
                                                                                 --

Avond

Het huis sliep achter zijn gesloten blinden,
Wij zaten samen op de kille bank,
De dag was als haar oude vader krank,
De blaren fluisterden met moede winden.
Moe van de geuren die zij moeten dragen
Van graven oud en rozen uitgebloeid,
Weemoedig vlagend door verwarde hagen
En 't armlijk loof dat om de zerken groeit.

Je hebt weinig gedacht en veel gezwegen
En stil de handen om mijn hoofd gelegd,
Zo zeggend: "Ook de grootste liefde kan niet tegen
De dood niets ontziet en alles slecht."

J. Slauerhoff

De avond viel als een sluier over het huis, dat zich achter gesloten blinden had teruggetrokken in een diepe slaap. Twee mensen zaten naast elkaar op een koude bank, zwijgend, alsof de dag zelf ziek en uitgeput was geworden. Buiten fluisterden de bladeren, gedragen door vermoeide winden en hun stemmen droegen de geur van vergane rozen en oude graven. Het was alsof de natuur zelf de last van vergankelijkheid moest torsen. Verwarde hagen, armzalig loof en alles groeiend rondom de stenen die de doden markeren. In die stilte werd weinig gedacht en nog minder gezegd. De handen van de ander rustten zacht om het hoofd, een gebaar dat meer sprak dan woorden konden zeggen. Het was een gebaar van troost, maar ook van erkenning van een harde waarheid. De waarachtigheid dat zelfs de grootste liefde niet bestand is tegen de dood. De dood die niets ontziet, die alles aantast en die uiteindelijk de menselijke verbondenheid overstemd.
Toch ligt er in dit besef een paradoxale schoonheid. Want juist in het zwijgen, in het gebaar van nabijheid, ontstaat een moment van een transcenderende waarheid dat de grenzen van liefde en sterfelijkheid zichtbaar maakt. Het is een ontmoeting met de eindigheid, waarin de liefde niet overwint, maar wel getuigt van haar spirituele intensiteit. Zo wordt de stilte zelf tot een instrument van herinnering, waarin de eindigheid niet sluit, maar opent en de liefde haar intensiteit laat voortleven als een onzichtbare melodie in de tijd. De filosofische kern van dit tafereel is dat liefde niet almachtig is, maar juist in haar kwetsbaarheid betekenis krijgt.
Het is eigenlijk een meditatie over de verhouding tussen liefde en dood. Waarbij de dood als een onvermijdelijke horizon kan worden gezien en de liefde als een tijdelijke, maar diep spirituele kracht. Het is geen triomf van liefde boven sterfelijkheid, maar een erkenning dat juist in het besef van haar beperking de liefde haar meest intieme gestalte vindt.
                                                                               --

In Nederland

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijsen van mijn lust zal zich geen
reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

In Nederland wil ik niet sterven,
En in de natte grond bederven
Waarop men nimmer heeft geleefd.
Dan blijf ik liever hunkrend zwerven
En kom terecht bij de nomaden.
Mijn landgenoten smaden mij: "Hij is
mislukt."
Ja, dat ik hen niet meer kon schaden,
Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt.

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er altijd naar iets streven,
Om 't welzijn van zijn medemensen denken.
In het geniep slechts mag men krenken,
Maar niet een facie ransien dat het knalt,
Alleen omdat die trek mij niet bevalt.
Iemand mishandelen zonder reden
Getuigt van tuchteloze zeden.

Ik wil niet in die smalle huizen wonen,
Die Lelijkheid in steden en in dorpen
Bij duizendtallen heeft geworpen...
Daar lopen allen met een stijve boord
-Uit stijlgevoel niet, om te tonen
Dat men wel weet hoe het behoort-
Des Zondags om elkaar te groeten
De straten door in zwarte stoeten.

In Nederland wil ik niet blijven,
Ik zou dichtgroeien en verstijven.
Het gaat mij daar te kalm, te deftig,
Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig,
En danst nooit op het slappe koord.
Wel worden weerlozen gekweld,
Nooit wordt zo'n plompe boerenkop gesneld,
En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.

J. Slauerhoff ( Uit: Al dwalend 1947).

Het gedicht In Nederland nu herschreven in proza:

Nederland verschijnt hier als een land waarin het individu voortdurend wordt ingeperkt door sociale conventies en het alziende oog van de gemeenschap. Het is een samenleving waarin men zijn verlangens moet beteugelen, niet uit innerlijke noodzaak, maar uit angst voor de buren die oplettend door elk venster gluren. Vrijheid van hartstocht en expressie lijkt onmogelijk, want de mens wordt gedwongen tot beheersing en schijnheiligheid. Daarom verlangt de dichter naar de uitgestrekte steppen, waar de natuur onverschillig blijft voor menselijke uitbarstingen en waar de roep van de lust geen vogel verschrikt en geen dier zijn tred doet versnellen. Daar, in de leegte, kan men werkelijk vrij zijn.
Ook de dood in Neerland wordt afgewezen. Het idee om weg te rotten in de natte grond van een land waarin men nooit werkelijk heeft geleefd, is voor de dichter ondraaglijk. Hij kiest liever voor een eeuwige zwerftocht, een nomadisch bestaan dat weliswaar onzeker is, maar niet verstikkend. Zijn landgenoten veroordelen hem als mislukt, maar juist hun oordeel bevestigt zijn vrijheid, dat wil zeggen hij kan hen niet meer schaden en toch blijft hun afwijzing als een schaduw op zijn bestaan drukken.
Het leven in Nederland wordt gekenmerkt door een constante drang naar streven, naar het dienen van het welzijn van anderen. Maar dit streven is niet authentiek, het is een façade van moraliteit waarin men slechts in het geheim mag krenken, nooit openlijk. De ware hartstocht, de spontane uitbarsting, wordt verboden. Geweld zonder reden wordt als tuchteloos veroordeeld, maar achter deze veroordeling schuilt een samenleving die hypocrisie verkiest boven eerlijkheid.
De huizen van Nederland zijn smal, de steden en dorpen ontsierd door lelijkheid die zich in duizendtallen heeft opgestapeld. Het leven daar is uniform en stugheid overheerst. Op zondag paradeert men in zwarte kledij, niet uit vreugde of authenticiteit, maar uit plichtsgevoel en de wens te tonen dat men weet hoe het hoort. Het is een samenleving van stijve boorden en lege rituelen.
Blijven in Nederland betekent verstijven, dichtgroeien, verstikken. Het land is te kalm, te deftig, te langzaam. Er is geen ruimte voor heftigheid, geen plaats voor het dansen op het slappe koord van het bestaan. De ware passie, de mooie maar gevaarlijke uitbarsting van het leven, ontbreekt. In plaats daarvan worden de weerlozen gekweld en blijft de brutale boerenkop onaangedaan. Het tragische is dat er nooit een lekkere, hartstochtelijke misdaad plaatsvindt en zeker nooit een daad die de intensiteit van het leven bevestigt. Nederland als een land van beklemming, verstarring en hypocrisie. Verlangend naar een bestaan dat vrij is van sociale controle, waar hartstocht en zwerven mogelijk zijn, zelfs als dat een leven in ballingschap betekent. Een ultieme strijdkreet van de ziel. Zijn afwijzing van Nederland is geen louter geografische keuze, maar een filosofische weigering om te leven in een cultuur die de vrijheid van de ziel verstikt. Alleen daar waar de horizon geen grenzen kent, kan de ziel haar ware vrijheid ervaren.
                                                                              ---

J.J.v.Verre.






Geen opmerkingen: