dinsdag 3 februari 2026

Lentedag.

 

Zonlicht valt door een smalle spleet in verduisterende gordijnen op een nog stille slaapkamer en geeft met zijn warme gloed en zachte schaduwen, een serene sfeer van ontwaken.


Door een spleet in de verduistering kust het ochtendlicht mijn oogleden. Wakker worden is een proces dat dagelijks geschiedt, maar nooit helemaal begrepen wordt. Flarden droomresten ontsnappen uit je geheugen, en herboren worden in een nieuwe dag is een feit. Gisteren is nu echt voorbij en komt alleen gehavend terug in herinnering. En dan, in dat stille tussenliggende moment waarin je nog niet helemaal teruggekeerd bent in je lichaam van de vorige dag, lijkt het leven even te pauzeren. Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt. Je voelt hoe het licht je opnieuw vormt, hoe elke straal een zachte invitatie is om weer deel te nemen aan het ritme van ons dagelijks bestaan.

De kamer om je heen is nog is nog half schaduw, half belofte. Buiten beweegt de dag zich al voort, maar binnen heerst een serene rust, een soort innerlijke lente die niet afhankelijk is van seizoenen. Je beseft dat elke ochtend een kans is om opnieuw te beginnen, niet omdat gisteren vergeten moet worden, maar omdat het zich heeft teruggetrokken tot een geschiedenis die je met je meedraagt. In dat besef ontstaat een liefdevolle dankbaarheid voor het licht dat je wakker maakt. Voor de dromen die jou loslaten. Voor de tijd die zich steeds weer ontvouwt, geduldig en zonder oordeel. En terwijl je opstaat, voel je hoe de dag zich opent als een deur die nooit op slot heeft gezeten. Je stapt er doorheen, niet als iemand die iets achterlaat, maar als iemand die iets meeneemt: het stille weten dat elke ochtend een kleine wedergeboorte is, een respons van het leven dat zegt: begin maar weer, ik ben er nog steeds. En zo draag je, bijna onopgemerkt, het zachte bewijs met je mee dat elke dag niet alleen begint, maar jou ook opnieuw laat beginnen. Terwijl je opstaat om de lentedag te begroeten, merk je hoe het licht in jou hetzelfde doet als buiten: het groeit zonder haast, alsof het precies weet waar het heen wil, en jou zachtjes herinnert aan de mystieke kunst om jezelf elke dag opnieuw te zijn. En in dat geruisloze groeien herken je iets vertrouwds, alsof het leven zelf even met je meeloopt en bevestigt dat elke dag niet vraagt om verandering, maar om aanwezigheid. Een aanwezigheid die kalm is, maar vastberaden, die zich niet hoeft te bewijzen, die niet zoekt naar erkenning, en zich kan tonen in het eenvoudige en oprechte. Het nestelt zich in het ritme van het alledaagse, in een blik die blijft hangen, een hartslag welke niet versnelt, in een leegte die vol is van hernieuwde levenslust. In dat samenvallen met jezelf ontvouwt zich de eenvoud die niets verlangt, volledig geïncorporeerd in dat ene moment.


J.J.v.Verre.

zondag 18 januari 2026

Niets is voor altijd.

Alles is niet voor altijd, maar altijd maar voor even. Je vindt iets moois, je draait je om en bent het kwijt. Je komt er,  't is niet anders, steeds meer achter in je leven. Niets is voor altijd. Ik dacht dat jij en ik voor altijd zou gaan duren. We zouden samen zijn en blijven tot in alle eeuwigheid. En inderdaad, de lange jaren samen leken korte uren. Maar niets is voor altijd. Het duurt niet lang, dan zijn we slechts herinneringen. Als ooit in steen gevangen wezens uit het Pleistoceen of Krijt. Als nooit door mensenoog geziene lang verdwenen dingen. Niets is voor altijd. Ooit droogt de zee, ooit zal de zon zelfs doven. Ooit komt er een einde aan de tijd. Dan zal er zelfs geen God meer zijn om in te hoeven geloven. Dan is het leven van het leven zelf bevrijd. Toch is er iets wat altijd rond zal blijven zingen. Een verre ijle toon van weemoed en van spijt. Om alle mensen en de dwaze wegen die ze gingen. Dat blijft altijd. Dat blijft altijd.
                                                           Jeroen van Merwijk.



En toch zijn er dagen die zich in je geheugen vastzetten alsof ze weigeren te verdwijnen. Het was halverwege januari, zo’n winterdag waarop de wereld stil lijkt te staan. In zo'n maand die eindeloos lijkt. De lucht was helder en koud, het licht bleek en laag, en de aarde lag in een soort ingehouden adem. De bomen stonden naakt tegen de hemel, alsof ze hun laatste restjes trots hadden afgelegd. In die winterstilte voelde ik dat er iets in mij verschoof. Niet abrupt, maar als een trage, diepe beweging onder de oppervlakte. Mijn lichaam reageerde anders dan ik gewend was. De energie die vroeger vanzelfsprekend door me heen stroomde, kwam nu in schokjes. Soms krachtig, soms onverwacht broos. Ik merkte het aan mijn dromen, aan mijn concentratie, aan een onverklaarbare vermoeidheid die zich in mijn botten nestelde. Stramheid in de benen bij het opstaan, wat ik nog als klacht van mijn opa herinnerde. Ik stond op de rand van iets nieuws. Maar ik wilde het niet zien.

Zoals veel mannen deed ik wat ik altijd deed, ik ging gejaagd door. Ik werkte te hard, ik zweeg, ik lachte het weg. Ik vertelde mezelf dat het de winter was, de kou, de donkere dagen. Maar het schuurde. Mijn geheugen liet me soms in de steek, mijn lichaam voelde warmer dan de winterlucht toeliet, en ergens diep vanbinnen wist ik, dit is geen seizoen dat buiten weer voorbijtrekt, nee dit is een seizoen ín mij. Een jaargetijden opmaak ter voorbereiding op de herfst. Er brandde iets in mij dat de winter niet kon blussen, en toch voelde ik mij kouder dan sneeuw, killer dan ooit. En diep in de duisteren spelonken van mijn bewustzijn kwam iets langzaam bovendrijven, iets dat onvoldoende was weggestopt. Iets dat mijn toiletspiegel me al op sommige ochtenden probeerde te vertellen.

Het moment was daar. Ik moest erkennen dat mijn jeugdige vanzelfsprekendheid aan het verschuiven was. Niet als verlies, maar als overgang. Toch voelde het eerst als een vijand, alsof een deel van mijn identiteit langzaam uit mijn handen gleed.

Men zegt dat je verandering moet omarmen. Maar een man is vaak opgevoed om te beheersen, te sturen, te fiksen. En verandering laat zich niet fiksen. Ons brein, dat oude mechanisme, ziet het nieuwe als gevaar. Pas later, wanneer de eerste schrik is gezakt, kunnen we zien dat het geen bedreiging was, maar een uitnodiging tot verdieping.

We weten het eigenlijk al: niets blijft voor altijd. Alles beweegt. Alles verandert. En toch klampen we ons vast aan wat we kennen, aan kracht, aan ritme, aan het idee van controle. Maar vasthouden maakt je moe. Het leven vraagt om meebewegen, als een rivier die haar loop volgt zonder te weten waar ze uitkomt. Soms verandert de stroom van richting zonder dat je het moment van omslag hebt gevoeld. Soms voelt het alsof je over ijs loopt dat kraakt, soms zak je even door je eigen weerstand heen. Maar zelfs dat hoort bij het man-zijn in transitie.

Wanneer je er middenin zit, lijkt het eindeloos. Alsof het nooit meer lichter wordt. Maar zelfs in januari, wanneer de dagen kort zijn en de kou diep, keert het licht langzaam terug. Na elke nacht komt een dag. Na elke winter een nieuwe lente. Na elke schok een nieuw evenwicht.

Dus leef in het moment. In harmonie met wat je dierbaar is. Zet bewust je volgende stap en transformeer stap voor stap. Dag na dag. Kleine bewegingen worden grote verschuivingen. Kijk met mildheid naar binnen, iets wat mannen vaak vergeten. Wat vraagt om aandacht? Wat wil gezien worden? Welke oude overtuiging mag eindelijk in het licht?

Zorg voor je lichaam, dat trouwe werktuig dat je door het leven draagt. Voed je goed. Rust. Beweeg. Adem dieper dan je onbewust doet. Probeer afscheid te nemen van toxische genotmiddelen Maar vul het ook met vreugde, zoals lachen, soms huilen, de natuur in, iets bouwen met je handen, iets nieuws leren, de wereld weer bekijken met de nieuwsgierigheid van een jongen. Wat die jongen blijf je ook na transitie. Want uiteindelijk is dat de essentie van elke mannelijke verandering, om je niet te verliezen in wie je was, maar terug te keren naar wie je bent geworden. En zo leerde ik, midden in de winter, dat elke man pas werkelijk groeit wanneer hij het nieuwe toelaat als een stille vlam in zijn eigen hart.

J.J.v.Verre.