Onder het koele maanlicht vervaagt de grens tussen lichaam, droom en herinnering, terwijl een slapende gestalte oplost in zweet, mist en stilte. Verspreide woorden, een gebroken spiegel en een splijtende vloer verbeelden een identiteit die haar vaste vorm heeft verloren.
In een plaknacht werd mijn stelling ontkracht:
dat mijn ziel een vaste vorm bewaart,
want ik voelde mij oneindig nat
tussen laken en kussensloop, vergaard
uit zweet en maan. En ergens zacht
kraakte het hout, alsof het wist
van een grens waarvan ik altijd dacht
dat zij bestond - maar nu vermist.
Mijn hand was niet de hand van gister,
mijn adem rook naar verre mist,
mijn huid herkende haar eigen naam niet meer.
En alles wat ik dacht te weten
lag op de vloer: verwrongen, ongewist.
J.J.v.Verre.
