maandag 7 september 2026

Pinoceros.

 

Ter nagedachtenis aan Pinoceros. In de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum in Otterlo staat een bronzen zelfportret van de Belgische kunstenaar Jan Fabre uit 2010. Deze foto, genomen in het zachte licht tussen de bomen, werd het zaad waaruit dit verhaal is gegroeid - een herinnering aan hoe een beeld soms meer waarheid draagt dan een mens durft uit te spreken. 

De Pinoceros - het wezen dat niet wist wat waarheid was


Er was eens, aan de rand van een bos waar de bomen ouder waren dan de herinneringen van de mensen, een vreemd wezen. Men noemde hem de Pinoceros. Hij had het gezicht van een jongen die ooit Pinokkio had kunnen zijn, maar uit zijn voorhoofd groeide geen gewone neus. Daar ontsproot een lange, zware hoorn, gebogen als een gedachte die te lang was uitgesteld. Zijn huid glansde als oud brons. Zijn haren lagen in golven om zijn hoofd, alsof de wind er jarenlang geheimen in had gefluisterd. Hij was half jongen, half neushoorn. Maar in werkelijkheid was hij vooral één ding: een vraag. Niemand wist wie hem had gemaakt. Sommigen beweerden dat een beeldhouwer hem uit een stuk metaal had gehouwen. Anderen zeiden dat hij was ontstaan uit een leugen die zo vaak verteld was dat zij uiteindelijk een lichaam had gekregen. Zelf geloofde de Pinoceros geen van beide verhalen. Dat was zijn eerste probleem: hij wist niet welk verhaal waar was.

 Op een dag vroeg hij aan een oude uil: "Waarom heb ik een hoorn?" De uil keek hem lang aan. "Om je waarheid te beschermen." "Maar waarom is hij zo lang?" "Omdat jouw waarheid ver weg woont." De Pinoceros dacht daarover na. "En waarom heb ik een gezicht van een jongen?" "Omdat je ooit hebt geleerd dat onschuldiger lijken gemakkelijker is dan eerlijk zijn." "Maar ik ben toch niet onschuldig?" "Nee," zei de uil. "En ben ik dan schuldig?" De uil glimlachte. "Dat hangt ervan af hoeveel van jezelf je probeert te verbergen."

Die nacht keek de Pinoceros naar zijn spiegelbeeld in een donkere vijver. Hij zag een merkwaardig wezen. Zijn ogen waren zacht, zijn kaak was sterk, zijn hoorn indrukwekkend. Maar onder alles wat hard leek, voelde hij iets heel kwetsbaars. Hij fluisterde: "Wie ben ik?" Het water antwoordde niet, want water kent geen antwoorden. Water weerspiegelt alleen.

De volgende ochtend besloot de Pinoceros de wereld in te trekken. Hij wilde ontdekken wie hij was door te horen wat anderen van hem vonden. In het eerste dorp riepen de kinderen: "Een monster!" In het tweede dorp zeiden de volwassenen: "Een neushoorn." In het derde dorp beweerde een koopman: "Een jongen met een bijzonder masker." Maar een oude vrouw, die hem heel aandachtig bekeek, zei: "Nee. Jij bent iemand die nog niet heeft besloten of hij een masker draagt." Die woorden bleven bij hem. Hij liep verder.

Na dagen reizen kwam hij bij een stad waar iedereen voortdurend loog. Niet uit kwaadheid. Men loog uit beleefdheid. Men zei: "Wat fijn je te zien," wanneer men iemand liever niet zag. "Het gaat uitstekend," wanneer men verdrietig was. "Ik ben niet bang," wanneer men beefde. De Pinoceros voelde zich er onmiddellijk thuis. Want hij kende liegen. Hij had ooit gemerkt dat zijn hoorn groeide wanneer hij onwaarheid sprak. Eerst vond hij dat verschrikkelijk. Maar in deze stad ontdekte hij iets wonderlijks: hoe meer hij loog, hoe langer zijn hoorn werd.

De mensen waren verrukt. "Wat een prachtige hoorn!" "Wat een machtig wezen!" "Wat een indrukwekkende verschijning!" Dus begon de Pinoceros steeds grotere leugens te vertellen. Hij zei dat hij onkwetsbaar was. Zijn hoorn groeide. Hij zei dat hij nergens bang voor was. Zijn hoorn groeide verder. Hij zei dat hij niemand nodig had. De hoorn werd langer. Tot hij op een dag niet meer door de straten kon. Zijn hoorn stak door deuren, brak ramen, sleepte achter hem aan als een zware geschiedenis. Toen begreep hij: een leugen maakt je niet kleiner

Een leugen maakt je vaak eerst groter. Sterker. Mooier. Indrukwekkender. Tot je uiteindelijk gevangen zit in het beeld dat je van jezelf hebt gemaakt.

De Pinoceros ging terug naar het bos. Hij was moe. Zijn hoorn was zo lang geworden dat hij nauwelijks nog kon lopen. Bij de vijver ging hij zitten. "Ik heb alles verkeerd gedaan," zei hij. Zijn spiegelbeeld keek hem aan. "Dat is waar." Hij schrok. Voor het eerst sprak het water.

"Wie ben jij?" vroeg hij. De Pinoceros wilde zeggen: Ik ben sterk. Maar hij zweeg. Hij wilde zeggen: Ik ben bijzonder. Maar hij zweeg. Hij wilde zeggen: Ik ben niet bang. Maar zijn stem trilde. Toen zei hij uiteindelijk: "Ik weet het niet." De hoorn kraakte. Een klein stukje brak af. De Pinoceros keek verbaasd. "Ik ben bang," zei hij. Weer brak er een stukje af. "Ik ben soms ijdel." Nog een stuk. "Ik wil dat anderen mij bewonderen." Nog een.

"Ik heb gelogen omdat ik bang was dat de waarheid niet genoeg zou zijn." De hoorn werd korter. En toen hij eindelijk zei: "Ik weet niet wie ik ben, maar ik wil het graag ontdekken," viel de laatste zware punt in het gras.

De Pinoceros keek naar zijn spiegelbeeld. Hij verwachtte een gewone jongen te zien. Of een neushoorn. Maar hij zag nog steeds hetzelfde vreemde wezen: een jongen, een dier, een vraag. En opeens begreep hij iets. Waarheid is niet het tegenovergestelde van fantasie. Waarheid is niet eens altijd een antwoord. Soms is waarheid de moed om een vraag open te laten. Hij hoefde niet te kiezen tussen Pinokkio en de neushoorn. Hij hoefde niet te beslissen of hij zacht of sterk was. Mens of dier. Onschuldig of schuldig. Kwetsbaar of machtig. Hij was het allemaal. En misschien was dat precies wat hem zo vreemd maakte. En zo menselijk.

Vanaf die dag liep de Pinoceros door het bos. Zijn hoorn was kort geworden, maar niet verdwenen. Want een mens zonder verlangens, angsten of tegenstrijdigheden bestaat niet. Af en toe vertelde hij nog een leugen. Dan voelde hij zijn hoorn een beetje groeien. Hij glimlachte dan - niet omdat hij trots was op zijn leugen, maar omdat hij inmiddels wist wat hij moest doen. Hij stopte. Keerde terug. En zei: "Laat ik het opnieuw proberen." Want volwassen worden, ontdekte hij, betekent niet dat je nooit meer liegt. Het betekent dat je leert terug te keren naar de waarheid. En zo werd de Pinoceros uiteindelijk geen jongen. Geen neushoorn. Geen monster. Geen held. Hij werd iets veel zeldzamer: zichzelf.

En wanneer de maan ’s nachts over het bos scheen, kon men zijn gestalte zien tussen de bomen: een glanzend wezen met een korte hoorn en een oud gezicht. Een beetje Pinokkio. Een beetje neushoorn. En helemaal, enkel en alleen: een waarheid die nog steeds onderweg was. Want elke waarheid die onderweg is, draagt het wonder in zich dat zij morgen iemand anders kan zijn.

J.J.v.Verre.



Geen opmerkingen: