woensdag 5 augustus 2026

Wollige wolken.

 

Een persoon ligt stil in het dauwnatte gras en kijkt omhoog naar een uitgestrekte blauwe hemel waarin wollige wolken langzaam voorbijdrijven in het zachte licht van de vroege ochtend. De warme gloed van de opkomende zon en de rustige compositie roepen een gevoel op van verstilling, verwondering en een innige verbondenheid met de natuur.


Wollige wolken trekken voorzichtig door de blauwe lucht, als gedachten die langzaam ontwaken in een geest die nog half in stilte verkeert. En terwijl ze voortglijden, lijkt de wereld zelf even te aarzelen: het licht wordt niet meteen fel, maar spreidt zich als een zachte hand over de ochtend uit. In die traagheid ontstaat een ruimte waarin alles nog niet geformuleerd is - een tussenlaag van helderheid en droom, waar elke wolk een stil signaal draagt van wat nog niet gezegd is. Zo ademt de hemel zijn eerste zinnen, en ik lig eronder in het nog natte gras, luisterend naar een dag die zich langzaam herinnert dat hij moet beginnen. 

Terwijl ik daar lig, lijkt er een gesprek op gang te komen – niet hardop, maar in de stille ruimte tussen mij en de hemel. Waar ga je heen? vraag ik de wolken, zonder woorden te gebruiken. Ze verschuiven heel even van vorm, alsof ze willen antwoorden: Nergens. We zijn al onderweg. Ik volg hun beweging en probeer hun traagheid te begrijpen, maar zij lijken mijn vragen te ontwijken met hun eigen zachte logica. Waarom zo voorzichtig? denk ik. Een van de wolken rekt zich uit tot een lange slang, alsof zij fluistert: Omdat elke ochtend opnieuw moet leren hoe te beginnen. Zo ontstaat een dialoog die niemand hoort, een uitwisseling van intenties en aarzelingen, waarin de wolken en ik elkaar even herkennen in het langzame ontwaken van de dag. 

Ergens tussen mijn adem en hun beweging ontstaat iets dat geen naam nodig heeft: een dunne draad die niet wordt gespannen, maar eenvoudig aanwezig is, alsof de lucht zelf een brug vormt tussen wat boven mij drijft en wat in mij beweegt. De wolken trekken verder, maar een deel van hun traagheid blijft in mij achter, als een stille herinnering dat alles - zelfs het licht, zelfs ik - deel uitmaakt van dezelfde langzame stroom. Zo wordt de ochtend een plek waar grenzen even oplossen, waar mijn geest en de hemel elkaar niet raken, maar toch in elkaars richting neigen, verbonden in een gedeelde, bijna onuitgesproken beginzin van de dag. En misschien is dat genoeg: niet om de wolken te begrijpen, maar om met hen mee te leren drijven. 

Wanneer ik uiteindelijk opsta uit het nog natte gras, loopt iets van die ochtend nog lang met mij mee.


J.J.v.Verre.



donderdag 30 juli 2026

Sterrenpracht.

 

De afbeelding toont een zittend persoon aan de oever van een meer, verzonken in diepe overpeinzing. Hij kijkt naar de fonkelende sterrenhemel waarin de Melkweg als een lichtende stroom de nacht doorkruist. De verstilde compositie verbeeldt de sterrennacht niet alleen als een uitgestrekt kosmisch landschap, maar ook als een innerlijke ruimte waarin herinnering, verlangen en zelfontmoeting samenvloeien.

Het spel van licht en schaduw bedwelmt mijn adem, alsof ieder beweging van het donker een nieuwe vorm van aanwezigheid in mij aanraakt. Oh sterrenpracht van deze bijzondere nacht, waarin de stilte zich uitstrekt als een zachte mantel over mijn gedachten. Mijn hoofd lijkt betoverd door jouw glinsterende adem, die zich als een zachte stroom langs de randen van mijn bewustzijn vleit. Langzaam lossen mijn gedachten op en droom hoe de nacht zich om mij heen sluit als een ademende ruimte, een plek waar alles wat ik overdag probeer te begrijpen eindelijk mag rusten. In dat zachte zweven tussen waken en verdwijnen lijkt de sterrenlucht een deur te openen naar iets wat niet helemaal van deze wereld is: een trage stroom van beelden, herinneringen, verlangens die zich als lichtvlekken verzamelen aan de binnenkant van mijn bewustzijn.

Ik droom dat de stilte mij draagt, alsof ik even gewichtloos word in een universum dat niets van mij verlangt behalve aanwezigheid. Iedere ster fluistert haar eigen verhaal, een klein geheim dat alleen in deze nacht hoorbaar wordt. Het donker is geen grens meer, maar een uitnodigende ruimte waarin ik mijzelf opnieuw ontmoet.

Zo droom ik verder, gedragen door een nacht die niet alleen om mij heen ligt, maar ook door mij heen beweegt: een tedere, bijna heilige trilling die iedere gedachte losweekt uit haar vaste vorm. In deze diepte lijkt het alsof de sterren niet langer boven mij hangen, maar zich vermengen met mijn eigen binnenwereld, als kleine brandpunten die helder blijven oplichten.

De nacht ademt, en met iedere ademhaling verschuift iets in mij: een oud verlangen dat zich uitstrekt, een vergeten herinnering die zich behoedzaam opricht, een fluistering die niet van buiten komt, maar uit een plaats die ik lange tijd vermeed te betreden. Het is alsof de duisternis mij niet omhult, maar doorlaat; alsof zij mij uitnodigt te verdwijnen in een ruimte waar geen richting bestaat, alleen aanwezigheid.

Terwijl ik verder sluimer, merk ik hoe de verstilling zich verdiept - niet als afwezigheid van geluid, maar als een zachte, dragende kracht die alles wat scherp is afrondt. De sterren zingen hun verhalen, en ik luister zonder te hoeven begrijpen. Ik voel hoe het donker zijn grenzen verliest en zich opent als een poort naar een innerlijk landschap dat alleen in deze nacht toegankelijk wordt.

Misschien is dit de ware betovering van de sterrenpracht: dat zij mij niet van mijzelf verwijdert, maar mij juist terugbrengt. Naar een plaats waar ik mijzelf ontmoet in mijn meest oorspronkelijke vorm: gewichtloos, ontvankelijk en ongebonden, bevrijd van alles wat mij overdag zo stevig vasthoudt.


J.J.v.Verre.




woensdag 15 juli 2026

Het Scheveningse vissersvrouwtje.

 

Dit bronzen beeld aan de boulevard van Scheveningen, vaak Kniertje genoemd, werd vervaardigd door de beeldhouwer Gerard Bakker en in november 1982 onthuld door Beatrix der Nederlanden.


"Voor allen die uitvoeren en niet terug keerden." Die woorden zijn niet alleen in steen gebeiteld, maar in het zachte, zoute geheugen van een dorp dat eeuwenlang leefde op het ritme van de zee. Het vissersvrouwtje in Scheveningen staat daar niet slechts als een beeld, maar als een stille wachter tussen werelden. Haar bronzen huid draagt de matte, verweerde glans van wind en tijd, alsof zij zelf langzaam is teruggekeerd uit een andere dimensie - een wereld waarin de stemmen van de verdronkenen nog fluisteren in de plooien van haar rok.

Aan haar voeten liggen bloemen, altijd bloemen, als resten van rituelen die elders hun taak al hebben vervuld. Bloemen die eerst een kist vergezelden, een afscheid markeerden, en hier opnieuw tot leven lijken te komen in het zicht van het verslindende water. Alsof rouw een kringloop kent. Ze liggen daar als zachte echo's van namen die niet langer klinken, als kleuren die weigeren te verdwijnen in het grijs van de Noordzee.

Het beeld vormt een ankerpunt in een landschap dat voortdurend beweegt. De zee trekt zich terug en keert terug, maar de mannen die ooit uitvoeren deden dat niet altijd. In die eeuwige herhaling van golven schuilt een wrede vorm van trouw: de zee geeft ritme, maar geen garanties. En de vissersvrouw weet dat. Haar houding drukt geen wanhoop uit, maar een weten dat ouder is dan woorden. Zij staat daar als iemand die begrijpt dat liefde soms betekent dat je een ander moet toevertrouwen aan een macht die groter is dan jezelf.

Misschien schuilt daarin de ware mystiek van dit monument. Het herinnert niet alleen aan de doden, maar ook aan de dunne grens tussen aanwezigheid en verdwijnen. Aan het feit dat iedere afvaart een kleine sprong in het onbekende is, een offer aan de diepte. Achterblijven wordt dan een eigen vorm van reizen: een tocht door stilte, wachten, te lang wachten en herinnering. 

De bloemen, de bronzen vrouw, de wind die langs haar strijkt alsof hij haar iets wil vertellen - samen vormen zij een plek waar tijd niet lineair meer lijkt. Hier vloeien verleden en heden in elkaar over als twee stromen die elkaar heel even raken. De vissers die nooit terugkeerden zijn niet verdwenen; ze zijn opgenomen in het weefsel van dit dorp: in de geur van de wind, in het schuim van de branding, in de verhalen die grootmoeders fluisteren, in de starende blik van het beeld dat nooit knippert.

Zo staat zij daar niet als symbool van verlies, maar als behoedster van een stille waarheid: dat ieder mens die de horizon tegemoet gaat, een spoor achterlaat dat niet door water kan worden uitgewist. Dat liefde, zelfs wanneer zij wordt uitgerekt tot aan de rand van de wereld niet breekt maar slechts van vorm verandert. Dat herinnering een soort licht is dat blijft branden, zelfs wanneer de zee donker wordt.

In dat licht staat Kniertje, ons vissersvrouwtje, omgeven door bloemen die een tweede leven hebben gevonden. Een mythische priesteres van het tussenrijk, de overgang tussen de fysieke wereld en het onzichtbare, het onderbewuste - een plaats waar verdriet en schoonheid elkaar raken als twee golven die heel even dezelfde richting kiezen. Misschien bewaart ze daarom haar eeuwige stilte: omdat sommige waarheden niet bedoeld zijn om uitgesproken te worden, maar om als getijden door de ziel te bewegen, onzichtbaar, ongrijpbaar en eeuwig terugkerend.

J.J.v.Verre.

donderdag 2 juli 2026

Het Modderbos.

 

In het modderbos wordt het licht geboren uit water. Niet uit de hemel, maar uit het glinsteren van druppels die zich verzamelen aan de randen van bladeren, als kleine altaren van vocht. Het bos is doorweekt, maar niet zwaar - het draagt zijn natheid als een geheim dat het alleen in nevels onthult.

In het Modderbos ademt de aarde zwaar. Elke stap zakt een fractie dieper weg, alsof de grond je wil vasthouden, je wil herinneren aan iets wat je ooit hebt achtergelaten. Het bos is doorweekt tot in zijn wortels; de bomen staan als donkere wachters in een wereld die zacht is geworden, poreus en ontvankelijk voor alles wat druppelt en wegvloeit.

De lucht hangt laag, een vochtige sluier die het licht breekt in matte glinsteringen. Hier glijdt de dag niet voorbij - hij druipt. Van tak naar tak, van blad naar blad, tot hij als een dunne stroom langs de schors naar beneden loopt en zich mengt met het eeuwige slurpen van de modder. Het pad is geen pad meer, maar een herinnering aan richting. Je voeten verdwijnen in een traag zuigende mond, een oergeluid dat klinkt alsof het doorweekte bos je naam scandeert. En soms, wanneer de wind even stilvalt, lijkt het alsof het hele Modderbos ademt in één donkere cadans - een hartslag van water, aarde en tijd.

Het licht zelf wordt hier geboren uit water. Niet uit de hemel, maar uit de glinstering van druppels die zich verzamelen aan de randen van bladeren, als kleine altaren van vocht. Het bos draagt zijn natheid als een geheim dat het slechts aan de stilte toevertrouwt. De aarde zuigt zacht aan je voeten, alsof ze wil weten wie je bent voordat je verder mag. Elke stap is een vraag. Elke afdruk een antwoord dat meteen weer wordt opgenomen in het drassige geheel, alsof het bos je wil leren dat niets werkelijk bezitbaar is - zelfs je eigen spoor niet.

De bomen staan niet willekeurig maar alsof ze ooit samen iets hebben aanschouwd dat hen voorgoed  heeft verbonden. Hun stammen zijn donker en glanzend, als de huid van een zwetend nijlpaard. Soms lijken ze te bewegen, haast onmerkbaar, in een ritme dat niet van deze wereld is - een ademhaling die je pas hoort wanneer je zelf stil genoeg bent geworden. 

Het water dat overal sijpelt, draagt stemmen. Geen woorden, maar klanken die doen denken aan herinneringen die ouder zijn dan jezelf. Een oeroude melodie van soppige aarde, mos dat zich aan schors hecht en wortels die elkaar ondergronds raken. Het is alsof het bos je uitnodigt te luisteren naar wat onder de tijd verborgen ligt: naar dat wat niet vergaat, maar steeds opnieuw een andere vorm aanneemt.

Hier wordt alles zachter: de grens tussen boom en schaduw, tussen grond en water, tussen jou en het bos. Alsof het Modderbos je langzaam herschrijft, je contouren vervaagt, je terugbrengt tot iets eenvoudigs en oeroud - een mens die luistert naar het natte fluisteren van de wereld. 

Wanneer je stilstaat, midden in dat vochtige hart, voel je hoe de grenzen verder oplossen. Tussen jou en de bomen. Tussen water en lucht. Tussen het moment en alles wat eraan voorafging. Alsof het bos je niet alleen omhult, maar je herinnert aan een verbondenheid die ouder is dan herinnering zelf. Een plek waar je nooit eerder was, maar die je toch herkent. Een plek waar de aarde je naam niet uitspreekt, maar zingt in je verwondering.

Wanneer je uiteindelijk omkijkt, zie je dat je spoor al lang is verdwenen. Het bos bewaart niets. Het neemt alleen op draagt alles verder, dieper, naar een plaats waar modder en stilte samenvallen - waar ook jij langzaam deel van wordt.

En even lijkt het alsof niet jij het bos hebt doorkruist, maar het bos, zwijgend en geduldig, door jou heen is gegaan.


J.J.v.Verre.


Dit essay ontstond uit een moment tijdens een recente vakantie op Zanzibar. In een tropisch bos brak onverwacht een moessonregen los. Binnen enkele minuten waren de zandpaden veranderd in modderstromen en waadden we door een landschap dat eerder op een moeras dan op een wandelpad leek. Elke stap zonk weg in de zuigende aarde, terwijl mijn schoeisel nog hardnekkig bleef geloven in zon en droogte.


zaterdag 27 juni 2026

Plaknacht.

 

Onder het koele maanlicht vervaagt de grens tussen lichaam, droom en herinnering, terwijl een slapende gestalte oplost in zweet, mist en stilte. Verspreide woorden, een gebroken spiegel en een splijtende vloer verbeelden een identiteit die haar vaste vorm heeft verloren.


In een plaknacht werd mijn stelling ontkracht:

dat mijn ziel een vaste vorm bewaart,

want ik voelde mij oneindig nat

tussen laken en kussensloop, vergaard

uit zweet en maan. En ergens zacht

kraakte het hout, alsof het wist

van een grens waarvan ik altijd dacht

dat zij bestond - maar nu vermist.


Mijn hand was niet de hand van gister,

mijn adem rook naar verre mist,

mijn huid herkende haar eigen naam niet meer.

En alles wat ik dacht te weten

lag op de vloer: verwrongen, ongewist.


J.J.v.Verre.


dinsdag 19 mei 2026

Echo van een ongeboren vogel.

 

Het schilderij Echo van een ongeboren vogel van Mieke van Ameijde (Acryl op papier) verwijst met zijn titel naar een aanwezigheid die nog geen vorm heeft gevonden, maar zich al laat voelen als een trilling in de lucht. Het suggereert een beweging die voorafgaat aan geboorte - een vleugel die nog niet is uitgeslagen maar wel al een spoor achterlaat in het innerlijk van de kijker. Het werk is geen voorstelling maar een resonantie: een herinnering aan iets dat nog moet ontstaan, een glimp van een mogelijkheid die zich in kleur en lijn heeft vastgezet. In die echo klinkt zowel kwetsbaarheid als kracht; het werk ademt in de ruimte tussen wat zichtbaar is en wat zich nog niet heeft uitgesproken.


Dit schilderij laat zich lezen als een spanningsveld tussen vorm en ontbinding, tussen herkenning en abstractie - alsof de werkelijkheid zelf even in beweging is gezet en nog niet heeft besloten welke gedaante zij wil aannemen. De vogelachtige vormen suggereren leven, richting, misschien zelfs vlucht, maar ze zijn tegelijk gefragmenteerd, overlappend, bijna in strijd met zichzelf.

Het schilderij ontvouwt zich als een spanningsveld tussen vorm en ontbinding, tussen herkenning en abstractie - alsof de werkelijkheid zelf even aarzelde en in die aarzeling zichtbaar werd. De vogelachtige contouren suggereren leven, richting en misschien vlucht, maar tegelijk zijn ze gefragmenteerd en overlappend, bijna in strijd met zichzelf. Ze lijken op te stijgen én terug te vallen, gevangen in een beweging die niet naar een bestemming wijst maar naar een innerlijke trilling, een zoeken dat ouder is dan richting. 

De kleuren botsen en omarmen elkaar: het geel dringt naar voren als een lichtkern, het blauw ademt als een koel tegenwicht, terwijl rood en zwart als onderstromen fluisteren dat elke vorm zijn oorsprong draagt in iets rauws, iets ongetemds. De penseelstreken zijn krachtig, direct en impulsief - geen beschrijving maar een gebaar dat zich niet laat temmen door logica of contour. Zo krijgt het werk een ritmische energie: het beweegt, het duwt en het trekt. De vogelmotieven, vaak symbolen van vrijheid,  lijken hier gevangen in een moment van transformatie: niet opstijgend maar zoekend naar een nieuwe gedaante.

Het geheel voelt als een herinnering aan beweging, aan een vlucht die nog niet heeft plaatsgevonden, aan een spanning tussen vrijheid en vorm die in elk levend wezen sluimert. Misschien wil het schilderij daarom niet alleen gezien, maar ook gelezen worden - niet als een verhaal, maar als een ademhaling, een echo van een innerlijke verschuiving die zich in kleur en lijn heeft vastgezet voordat zij kon verdwijnen.

J.J.v.Verre.

zaterdag 9 mei 2026

Noodlot.

 

Een mysterieuze vrouw gehuld in een sterrenmantel weeft een gloeiende draad die zich verbindt met een web van tijd en gebeurtenissen. In haar hand rust een zandloper, terwijl de schemering het landschap om haar heen in gouden en blauwe stilte hult.


In de avond van het leven

wanneer het licht zachter valt

en de dag zijn scherpte verliest,

tekent het noodlot zijn schaduw.

Niet als een dreiging, maar als vorm

die eindelijk zichtbaar wordt.



Het spreekt niet in bevelen,

maar in verbanden.

In de stille ordening

van wat ons overkwam,

wat wij dachten te kiezen

en ons allang had gekozen.


Als een patroon dat zich pas weeft

wanneer de draad al is gelegd.

Wij lopen vooruit,

maar het noodlot kijkt achterom.

Leest de lijnen die wij niet zien,

maar die al in ons besloten liggen



Ooit noemde men het een wet,

een kosmische bedding

waarin zelfs goden hun plaats kenden.

Waar de tijd zich omdraait:

namen als oorzaak, toeval, samenloop.

Maar de naam verandert de schaduw niet.



J.J.v.Verre.




donderdag 19 maart 2026

Wanneer zielen elkaar herinneren.

 

                        Het herkennen van jezelf in het hart van de ander.
       Geschilderd door Mieke van Ameijde in 2004, Acryl op papier.


In dit schilderij lijkt de wereld teruggebracht tot twee figuren die niet zozeer lichamen zijn, maar gestolde bewegingen van ziel tot ziel. Ze staan tegenover elkaar als wezens die elkaar al langer kennen dan één leven kan bevatten, alsof hun vormen slecht tijdelijke omhulsels zijn van een ontmoeting die zich door de tijd heen blijft herhalen. De vrouw rijkt haar hart aan, niet als offer en niet als een gebaar van verlies, maar als een stille erkenning van wie zij is en wat zij draagt. Het hart dat zij vasthoudt lijkt niet uit organisch materiaal te bestaan, maar uit licht, herinnering en kwetsbaarheid, een spirituele kern die niet alleen klopt, maar ook resoneert.

De ander ontvangt het met een behoedzaamheid die doet vermoeden dat liefde nooit een bezit is. Zijn of haar gestalte lijkt androgyn, alsof het schilderij wil zeggen dat liefde zich niet laat begrenzen door rolpatronen, lichamen of tijd. Misschien was deze geliefde ooit een vrouw, misschien ooit een man, misschien wel iets daartussenin; maar hier, in dit moment, is dat allemaal niet van belang. Liefde als energie, als kracht die niet claimt, maar uitnodigt. Een ontmoeting waarin identiteit vloeibaar wordt, niet omdat die verdwijnt, maar omdat ze zich durft te openen. Wat telt is de beweging tussen hen, de stille stroom van geven en ontvangen die hen verbindt voorbij de grenzen ven één leven.

De achtergrond, zacht en tijdloos, lijkt te ademen in groenen en witten, alsof de wereld even ophoudt te bestaan, wanneer liefde zich in haar getranscendeerde versie aan ons toont. Het is een ruimte zonder verleden of toekomst, een plek waar alleen de uitwisseling zelf betekenis heeft. Een ruimte die toegang geeft aan ons universele verlangen: dat liefde ons optilt uit de tijdelijkheid en ons even laat rusten in iets dat groter is dan wijzelf. En zo wordt dit schilderij een meditatie op nabijheid: het toont hoe een hart pas bestaat wanneer het wordt gedeeld, en hoe twee zielen elkaar soms herkennen in een toevallige vorm die toch een verbondenheid draagt die niet uit behoefte komt, maar uit iets dat ouder is dan verlangen, een dieper weten. Alsof deze twee wezens elkaar niet vinden, maar terugkeren naar een overlappend bewustzijn dat hen voorafgaat. En terwijl hun handen elkaar bijna raken, lijkt het alsof één stille waarheid tussen hen oplicht: dat liefde soms niet anders is dan het herkennen van jezelf in het hart dat je aan de ander geeft. Het hart dat zich verlicht in het eenvoudige wonder dat iemand het wil dragen zonder het ooit te bezitten. En in die beweging herkent de ander een spirituele energie die als een stille stroom tussen hen blijft bewegen, zelfs wanneer woorden tekortschieten. Soms lijkt het alsof de ruimte tussen hen meer vertelt dan hun gebaren ooit kunnen uitdrukken. In die kleine afstand, dat ademloze niemandsland, ontstaat een soort heilige stilte waarin alles dat onuitgesproken blijft toch wordt verstaan. Het is de plek waar verlangen niet duwt, maar geduldig wacht; waar nabijheid niet wordt gezocht, maar als vanzelf oplicht.

Misschien is dat wel de ware kracht van dit moment: dat het niet probeert te overtuigen, niet probeert te bezitten, maar eenvoudigweg zonder iets te willen bestaat. Een ontmoeting die zichzelf draagt, zonder haast, zonder angst, zonder de drang om iets anders te worden dan wat ze al is. Hier, in deze zachte uitwisseling, lijkt liefde niet langer een gevoel, maar een staat van zijn, een licht dat zich niet opdringt, maar toch alles verheldert wat het raakt. Dit schilderij is een stille getuige van wat liefde kan zijn wanneer ze niets hoeft, alleen een ademtocht van licht, gedragen door eenvoud.


J.J.v.Verre.

zaterdag 14 maart 2026

Vrede in blauwe stilte.

 

Schilderij getiteld: Vrede in blauwe stilte, Mieke van Ameijde, Acryl op linnen, 60x80 cm.

Ik probeer met dit essay een prozaïsch verslag te maken van een schilderij waar ik een speciaal gevoel bij heb. Mieke heeft dit in 2001 intuïtief geschilderd. 


Het blauwwitte doek dat ons Mieke heeft geschilderd ademt een stille, bijna meditatieve spanning, alsof twee werelden elkaar raken zonder elkaar werkelijk te verstoren. In de zachte wisselwerking tussen blauw en wit ontstaat een ruimte die niet zozeer een plek is, maar een gemoedstoestand. De vogel, met zijn gespreide vleugels en zijn vloeiende, bijna muzikale lijnen, lijkt niet te vliegen maar te ontstaan, als een gedachte die zich losmaakt uit de diepte van een innerlijk landschap. Het humane gelaat, met gesloten ogen en een contour die nauwelijks meer is dan een suggestie, vormt het ankerpunt van deze wereld. Het is een gezicht dat niet kijkt, maar voelt en de expressie van dit voelen is heel sterk. Het voelende gelaat observeert niet, maar laat toe. De sereniteit van de gesloten ogen contrasteert met de beweging van de vogel, waardoor een subtiel spel ontstaat tussen rust en dynamiek, tussen het innerlijke en het uiterlijke, tussen droom en ontwaken.
In de vogelvorm zit iets dat doet denken aan een hoofdje, klein en rond, bijna verscholen in de beweging van de vleugel. Het is alsof deze vogel niet alleen een dierlijke gestalte heeft, maar ook een subtiel menselijk of spiritueel aspect met zich meedraagt. Wanneer je dat kleine hoofdje eenmaal ziet, verandert de betekenis van het schilderij. De vogel wordt dan niet alleen een symbool van vrijheid of beweging, maar ook drager van bewustzijn. Het is alsof er een tweede aanwezigheid in het werk zit, een stille passagier die meevliegt, meekijkt of misschien zelfs de innerlijke stem van de figuur met de gesloten ogen vertegenwoordigt. Het kan ook suggereren dat de vogel niet losstaat van de mensfiguur, maar een deel van haar is. Een soort innerlijk wezen, een gedachte, een liefdevolle herinnering of een beschermende kracht. Dat verborgen, kleine hoofdje maakt de vogel minder abstract en meer figuratief, alsof het een eigen identiteit heeft binnen het schilderij.
Een vrouwelijk gezicht verschijnt uit de zee van blauw, als een droom. De keuze van een beperkt palet versterkt dit effect. Blauw, in al zijn schakeringen, draagt een eeuwenoude symboliek van verdriet of melancholie, diepte, innerlijke stilte, oneindigheid, rust en spiritualiteit. Het is de kleur van de lucht, van water dat gedachten weerspiegelt, van afstand en verlangen. Wit brengt licht binnen, maar geen fel licht; eerder het soort licht dat door een dun gordijn valt, wat je als getemperd licht zou kunnen benoemen, zacht en vergevingsgezind. Samen creëren ze een sfeer waarin de grens tussen vorm en gevoel vervaagt. De penseelstreken zijn zichtbaar, soms haast impulsief, alsof Mieke niet schildert om te definiëren maar om te laten ontstaan, niet om te beheersen, maar om te bevrijden. Haar werk lijkt zeker niet te streven naar perfectie, maar naar echtheid, naar een moment waarin iets essentieels zich toont zonder zich volledig prijs te geven. Het doek voelt daardoor niet bedacht, maar intuïtief geboren, als een moment waarin iets innerlijks wordt losgelaten in de buitenwereld.
De relatie tussen de vogel en het gezicht is misschien wel het meest intrigerende element. Ze lijken niet los van elkaar te bestaan. De vogel zou een herinnering kunnen zijn, een verlangen, een gedachte die vleugels krijgt. Even goed kan hij een symbool zijn van vrijheid die nog niet is bereikt, of juist van vrijheid die van binnenuit groeit. Het kleine gezichtje in de vogel, roept de suggestie van een innerlijke dialoog op. Misschien is de vogel een herinnering die nog een stem zoekt, of een beschermende kracht die zich voorzichtig toont. Mogelijk is het een deel van de mensfiguur dat zich losmaakt, een gedachte die vleugels krijgt, een verlangen dat vorm aanneemt. Maar het schilderij dwingt geen interpretatie af, nee het nodigt uit tot kijken en opnieuw kijken, tot het toelaten van wat zich aandient zonder het meteen te willen begrijpen. Het vraagt om resonantie.
Het gezicht, zo stil en gesloten, lijkt dit alles te dragen zonder het te benoemen. Het is een stilte die niet leeg is, maar vol van ingehouden emoties. Een stilte waarin iets broeit, iets dat zich nog niet met taal heeft kunnen verbinden. De vogel fungeert dan misschien als eerste klank van die taal, een ingehouden beweging die zijn stilte niet verbreekt maar verdiept.
Ook de eenvoudige signatuur "Mieke ", geeft het geheel een persoonlijke, bijna intieme lading. Het voelt alsof de schilderes zich niet verschuilt achter een kunstzinnig masker, maar vanuit een oprechte innerlijke beweging heeft gewerkt. Het geheel krijgt daardoor de kwaliteit van een intuïtief verhaal, dat niet geheel verteld hoeft te worden om betekenisvol te zijn.
In de combinatie van stilte en beweging, van het gesloten gezicht en de vogel met zijn verborgen hoofdje, ontstaat een beeld dat blijft hangen, dat zich geleidelijk ontvouwt en dat mij uitnodigt om eigen gedachten en gevoelens in de open ruimte van het doek te laten meebewegen. Het blijft voor mij een boeiend werk, waar ik vaak naar kijk. Het fluistert soms mijn naam, zacht resonerend en onverklaarbaar.

J.J.v.Verre.

dinsdag 10 maart 2026

Moeder.

 

                                                 Mijn moeders sjaal


plots was de geur uit jouw sjaal verdwenen

die lange tijd mijn herinneringen fris hield

alsof de tijd zijn vingers had gesloten

rond wat ik nooit verliezen wilde


ik drukte de wol tegen mijn gezicht

zocht naar een spoor van jou

maar vond alleen de leegte die achterblijft

wanneer een hart te lang moet missen


toch draag ik jou, moeder

in elke adem die ik onbewust kies

in elke dag die zich ontvouwt

in jouw liefdevolle zachtheid


en toch, soms heel even

wanneer de wind mijn haren verwaait

meen ik je weer te proeven

niet in de stof, maar in mij


J.J.v.Verre

donderdag 5 maart 2026

De taal van verbonden handen.

 

Het fluisteren van verbonden handen in een dans van herstel en overgave. Foto Erwin Olaf, tentoonstelling Stedelijk Museum Amsterdam t/m 6-4-2026.


In deze twee handen ontvouwt zich een ontmoeting die groter is dan het moment zelf. Het is alsof de ziel even zichtbaar wordt in de manier waarop huid, spanning en zachtheid elkaar raken. De ene hand reikt, de andere antwoordt, niet als gebaar van bezit, maar als een belofte van vertrouwen. Er zit een stille choreografie in dit contact: een dans die niet begint bij de fysieke wil, maar bij de innerlijke beweging van twee wezens die elkaar willen verstaan. De vingers lijken te luisteren, te tasten naar een waarheid die niet in woorden past.

In hun naderende aanraking ontstaat een ruimte die bijna heilig aanvoelt, een plek waar kracht en kwetsbaarheid elkaar niet tegenspreken, maar elkaar verheffen. Alsof het universum even door de huid heen ademt en toont dat in dit gebaar een oeroude verbondenheid ontwaakt. Wat mij in deze foto het diepst raakt, is de volgende interpretatie: de fotograaf toont hoe deze twee mensen, midden in een balletuitvoering die discipline en beheersing vraagt, toch een moment vinden waarin puur menszijn doorbreekt. Een moment waarin aanraking geen beweging is, maar betekenis.


J.J.v.Verre.

Kom terug.

 

beschadig me, beschimp me, bespot me, bespuug me, verneder me, veracht me, pijnig me, breek me, steek me, pest me, vertrap me, verwond me, kleineer me, chanteer me, lieg me, bedrieg me, ontwijk me, bezeik me, verleidt me, berijdt me, verbrandt me, verteer me, kruisig me, begraaf me, maar kom terug.


beschadig me, breek me, bespot me,
met de wreedheid van een god die speelt
bespuug me als stormregen op een dorstig veld
verneder me tot ik niets ben dan lucht
maar kom terug

pijnig me, splijt me, steek me met je stilte,
verwond me met je afwezigheid
vertrap me als aarde
die smeekt om jouw voetstap
maar kom terug

bestuif me als asregen,
uit een uitgebluste hemel
verstrooi me als licht,
dat door een prisma treedt
maar kom terug

verwens me tot de vele sterren,
die hun naam zijn vergeten
verduister me als een maan,
die haar glans niet wil verliezen
maar kom terug

verjaag me als echo's,
die te lang hebben gezweefd
laat me trillen onder het gewicht
van jouw onverbiddelijke gemis
maar kom terug

chanteer me met je schaduw,
kleineer me tot een huivering in de nacht
bedrieg me met honing die brandt,
lieg me tot ik dronken ben van jouw illusie
maar kom terug

verleid me, verteer me, brand me tot licht,
verslind me tot vonk
kruisig me in jouw naam, begraaf me in jouw geur
maar, o goddelijke wreedheid, liefste van me
alsjeblieft, kom terug in bed


J.J.v.Verre.



zaterdag 28 februari 2026

Tussen twee tijden.

 

Een schemerlandschap tussen nacht en ochtend. De lucht vloeit van diep violet naar zacht koper. In het midden staat een androgyn silhouet, open en gespannen tegelijk, alsof het lichaam zelf een woordloos gebed is. Rondom hen bewegen zachte lichttinten die aantrekken en afstoten in één adem. De grond pulseert warm, als een gloeiende herinnering. In de verte staat een tweede aanwezigheid, een vorm van licht net buiten bereik. De ruimte tussen beide figuren trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt.


Er zijn kortstondige ogenblikken die zich niet laten vangen in de lineaire logica van tijd. Ze bestaan niet vóór of ná, maar ertussen, als een zucht die weigert te verdwijnen, als een trilling die zich nestelt in de poriën van het bestaan. In zo'n moment staat een figuur, niet als subject of object, maar als overgang. Niet als mens, maar als mogelijkheid.

De ruimte waarin dit wezen zich bevindt is geen landschap in geografische zin, maar een veld van betekenis. De lucht is geen atmosfeer, maar een geheugen van licht. Alles ademt verwachting, maar zonder enige vorm van belofte. De horizon is geen grens, maar een vraag: wat blijft, als alles voorbijgaat?

De figuur zelf is een paradox, tegelijk open en gesloten, verlangend en terughoudend, aanwezig en afwezig. De armen zijn uitgestrekt, niet in overgave, maar in hunkering. Niet om te ontvangen, maar om te bevestigen dat er iets was, iets is, iets blijft. Rondom hen cirkelen stroken licht, als herinneringen welke zich niet laten reduceren tot verleden, maar zich gedragen als actieve krachten, magnetisch, dwingend en teder.

In de verte staat een tweede gestalte, vaag, bijna opgelost in het licht. Geen antwoord, geen oorsprong, maar een spiegel van verlangen. De afstand tussen hen is geen fysieke scheiding, maar een ethische ruimte: het domein van wat nog niet is, maar zou kunnen zijn. Het domein van het bijna, dat in zijn onvoltooidheid een vollediger waarheid draagt dan het reeds.

Zo wordt het landschap een metafoor voor het menselijk bewustzijn: een plek waar de tijd niet heerst, maar huivert. Waar de herinnering geen archief is, maar een levend organisme. Waar de liefde geen bezit is, maar een beweging, een kruispunt van licht en schaduw, van hoop en verlies, van aanwezigheid en het verlangen naar terugkeer.

Wat zich hier afspeelt is geen ontmoeting, maar een ontregeling. De figuur in het midden is geen hoofdrolspeler, maar een drager van potentie, een gestalte die niet handelt, maar ondergaat. Niet als slachtoffer, maar als getuige van een kosmisch spel waarin nabijheid en verlies elkaar voortdurend afwisselen. En terwijl het spel zich herhaalt in steeds subtielere spiralen, beseft het universum dat zelfs zijn eigen adem een poging is om het onzegbare te raken. En ergens in die voortdurende wisseling, waar begin en einde elkaar niet meer herkennen, ontvouwt zich een zachte fluistering die suggereert dat zelfs het oneindige soms verlangt naar een ander ritme.

De ruimte trilt van onbegrensd verlangen, alsof het landschap zelf ademt. Alsof elke ademstoot van de aarde een poging is om het verlangen zelf vorm te geven, een pulserende herinnering dat zelfs stilte een richting kent. En in die trilling, waar verlangen en herinnering elkaar voortdurend herscheppen, lijkt het alsof het schouwspel wacht op een beweging die nog niet is gekozen, maar al voelbaar door de huid van het moment glijdt. Alsof het precies daar, in dat nauwelijks waarneembare verschuiven, een nieuwe mogelijkheid zoekt om zich te tonen. Een kiem van betekenis die nog geen naam draagt maar al wel gewicht heeft in het weefsel van het licht. En zo blijft het moment hangen, niet als antwoord, maar als een belofte van wat zich ooit opnieuw zou kunnen ontvouwen.


J.J.v.Verre.


woensdag 18 februari 2026

De Tijdmachine.

 

Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht die niets wil veranderen, maar slechts wil bewaren wat in die nacht nog nagloeit. Want sommige momenten zijn geen verleden, maar een trilling die blijft bestaan als een zucht tussen twee tijden.


Alsof ergens, net buiten het zicht, een tijdmachine wacht, niet om te keren wat geweest is, maar om te bewaren wat nog gloeit.

Een ademtocht van as en licht, een trilling tussen twee tijden, waar liefde niet verdwijnt, maar blijft hangen in het duister.

Geen knoppen, geen schermen, alleen herinnering als brandstof, en verlangen als kompas.

Want sommige nachten zijn geen verleden, maar een belofte die weigert te sterven.


J.J.v.Verre.



dinsdag 3 februari 2026

Lentedag.

 

Zonlicht valt door een smalle spleet in verduisterende gordijnen op een nog stille slaapkamer en geeft met zijn warme gloed en zachte schaduwen, een serene sfeer van ontwaken.


Door een spleet in de verduistering kust het ochtendlicht mijn oogleden. Wakker worden is een proces dat dagelijks geschiedt, maar nooit helemaal begrepen wordt. Flarden droomresten ontsnappen uit je geheugen, en herboren worden in een nieuwe dag is een feit. Gisteren is nu echt voorbij en komt alleen gehavend terug in herinnering. En dan, in dat stille tussenliggende moment waarin je nog niet helemaal teruggekeerd bent in je lichaam van de vorige dag, lijkt het leven even te pauzeren. Alsof de tijd zelf zijn adem inhoudt. Je voelt hoe het licht je opnieuw vormt, hoe elke straal een zachte invitatie is om weer deel te nemen aan het ritme van ons dagelijks bestaan.

De kamer om je heen is nog is nog half schaduw, half belofte. Buiten beweegt de dag zich al voort, maar binnen heerst een serene rust, een soort innerlijke lente die niet afhankelijk is van seizoenen. Je beseft dat elke ochtend een kans is om opnieuw te beginnen, niet omdat gisteren vergeten moet worden, maar omdat het zich heeft teruggetrokken tot een geschiedenis die je met je meedraagt. In dat besef ontstaat een liefdevolle dankbaarheid voor het licht dat je wakker maakt. Voor de dromen die jou loslaten. Voor de tijd die zich steeds weer ontvouwt, geduldig en zonder oordeel. En terwijl je opstaat, voel je hoe de dag zich opent als een deur die nooit op slot heeft gezeten. Je stapt er doorheen, niet als iemand die iets achterlaat, maar als iemand die iets meeneemt: het stille weten dat elke ochtend een kleine wedergeboorte is, een respons van het leven dat zegt: begin maar weer, ik ben er nog steeds. En zo draag je, bijna onopgemerkt, het zachte bewijs met je mee dat elke dag niet alleen begint, maar jou ook opnieuw laat beginnen. Terwijl je opstaat om de lentedag te begroeten, merk je hoe het licht in jou hetzelfde doet als buiten: het groeit zonder haast, alsof het precies weet waar het heen wil, en jou zachtjes herinnert aan de mystieke kunst om jezelf elke dag opnieuw te zijn. En in dat geruisloze groeien herken je iets vertrouwds, alsof het leven zelf even met je meeloopt en bevestigt dat elke dag niet vraagt om verandering, maar om aanwezigheid. Een aanwezigheid die kalm is, maar vastberaden, die zich niet hoeft te bewijzen, die niet zoekt naar erkenning, en zich kan tonen in het eenvoudige en oprechte. Het nestelt zich in het ritme van het alledaagse, in een blik die blijft hangen, een hartslag welke niet versnelt, in een leegte die vol is van hernieuwde levenslust. In dat samenvallen met jezelf ontvouwt zich de eenvoud die niets verlangt, volledig geïncorporeerd in dat ene moment.


J.J.v.Verre.

zondag 18 januari 2026

Niets is voor altijd.

Alles is niet voor altijd, maar altijd maar voor even. Je vindt iets moois, je draait je om en bent het kwijt. Je komt er,  't is niet anders, steeds meer achter in je leven. Niets is voor altijd. Ik dacht dat jij en ik voor altijd zou gaan duren. We zouden samen zijn en blijven tot in alle eeuwigheid. En inderdaad, de lange jaren samen leken korte uren. Maar niets is voor altijd. Het duurt niet lang, dan zijn we slechts herinneringen. Als ooit in steen gevangen wezens uit het Pleistoceen of Krijt. Als nooit door mensenoog geziene lang verdwenen dingen. Niets is voor altijd. Ooit droogt de zee, ooit zal de zon zelfs doven. Ooit komt er een einde aan de tijd. Dan zal er zelfs geen God meer zijn om in te hoeven geloven. Dan is het leven van het leven zelf bevrijd. Toch is er iets wat altijd rond zal blijven zingen. Een verre ijle toon van weemoed en van spijt. Om alle mensen en de dwaze wegen die ze gingen. Dat blijft altijd. Dat blijft altijd.
                                                           Jeroen van Merwijk.



En toch zijn er dagen die zich in je geheugen vastzetten alsof ze weigeren te verdwijnen. Het was halverwege januari, zo’n winterdag waarop de wereld stil lijkt te staan. In zo'n maand die eindeloos lijkt. De lucht was helder en koud, het licht bleek en laag, en de aarde lag in een soort ingehouden adem. De bomen stonden naakt tegen de hemel, alsof ze hun laatste restjes trots hadden afgelegd. In die winterstilte voelde ik dat er iets in mij verschoof. Niet abrupt, maar als een trage, diepe beweging onder de oppervlakte. Mijn lichaam reageerde anders dan ik gewend was. De energie die vroeger vanzelfsprekend door me heen stroomde, kwam nu in schokjes. Soms krachtig, soms onverwacht broos. Ik merkte het aan mijn dromen, aan mijn concentratie, aan een onverklaarbare vermoeidheid die zich in mijn botten nestelde. Stramheid in de benen bij het opstaan, wat ik nog als klacht van mijn opa herinnerde. Ik stond op de rand van iets nieuws. Maar ik wilde het niet zien.

Zoals veel mannen deed ik wat ik altijd deed, ik ging gejaagd door. Ik werkte te hard, ik zweeg, ik lachte het weg. Ik vertelde mezelf dat het de winter was, de kou, de donkere dagen. Maar het schuurde. Mijn geheugen liet me soms in de steek, mijn lichaam voelde warmer dan de winterlucht toeliet, en ergens diep vanbinnen wist ik, dit is geen seizoen dat buiten weer voorbijtrekt, nee dit is een seizoen ín mij. Een jaargetijden opmaak ter voorbereiding op de herfst. Er brandde iets in mij dat de winter niet kon blussen, en toch voelde ik mij kouder dan sneeuw, killer dan ooit. En diep in de duisteren spelonken van mijn bewustzijn kwam iets langzaam bovendrijven, iets dat onvoldoende was weggestopt. Iets dat mijn toiletspiegel me al op sommige ochtenden probeerde te vertellen.

Het moment was daar. Ik moest erkennen dat mijn jeugdige vanzelfsprekendheid aan het verschuiven was. Niet als verlies, maar als overgang. Toch voelde het eerst als een vijand, alsof een deel van mijn identiteit langzaam uit mijn handen gleed.

Men zegt dat je verandering moet omarmen. Maar een man is vaak opgevoed om te beheersen, te sturen, te fiksen. En verandering laat zich niet fiksen. Ons brein, dat oude mechanisme, ziet het nieuwe als gevaar. Pas later, wanneer de eerste schrik is gezakt, kunnen we zien dat het geen bedreiging was, maar een uitnodiging tot verdieping.

We weten het eigenlijk al: niets blijft voor altijd. Alles beweegt. Alles verandert. En toch klampen we ons vast aan wat we kennen, aan kracht, aan ritme, aan het idee van controle. Maar vasthouden maakt je moe. Het leven vraagt om meebewegen, als een rivier die haar loop volgt zonder te weten waar ze uitkomt. Soms verandert de stroom van richting zonder dat je het moment van omslag hebt gevoeld. Soms voelt het alsof je over ijs loopt dat kraakt, soms zak je even door je eigen weerstand heen. Maar zelfs dat hoort bij het man-zijn in transitie.

Wanneer je er middenin zit, lijkt het eindeloos. Alsof het nooit meer lichter wordt. Maar zelfs in januari, wanneer de dagen kort zijn en de kou diep, keert het licht langzaam terug. Na elke nacht komt een dag. Na elke winter een nieuwe lente. Na elke schok een nieuw evenwicht.

Dus leef in het moment. In harmonie met wat je dierbaar is. Zet bewust je volgende stap en transformeer stap voor stap. Dag na dag. Kleine bewegingen worden grote verschuivingen. Kijk met mildheid naar binnen, iets wat mannen vaak vergeten. Wat vraagt om aandacht? Wat wil gezien worden? Welke oude overtuiging mag eindelijk in het licht?

Zorg voor je lichaam, dat trouwe werktuig dat je door het leven draagt. Voed je goed. Rust. Beweeg. Adem dieper dan je onbewust doet. Probeer afscheid te nemen van toxische genotmiddelen Maar vul het ook met vreugde, zoals lachen, soms huilen, de natuur in, iets bouwen met je handen, iets nieuws leren, de wereld weer bekijken met de nieuwsgierigheid van een jongen. Wat die jongen blijf je ook na transitie. Want uiteindelijk is dat de essentie van elke mannelijke verandering, om je niet te verliezen in wie je was, maar terug te keren naar wie je bent geworden. En zo leerde ik, midden in de winter, dat elke man pas werkelijk groeit wanneer hij het nieuwe toelaat als een stille vlam in zijn eigen hart.

J.J.v.Verre.


zondag 21 december 2025

Vleugels die over de polder waaien.

Windmolens in de Noordoostpolder. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos.


De Noordoostpolder spreidt zich uit als een vlakke bladzijde, een open boek waarin de mens zijn tekens heeft achtergelaten. Waar ooit de zee haar golven liet rollen, staan nu de hoge wachters van de wind. Molens, die hun wieken spreiden als vleugels boven het land. Zij draaien niet slechts om energie op te wekken, maar om een gesprek te voeren met de eeuwige kringloop van lucht en tijd. Elke wiek is een gebaar, een cirkel die de tijd tekent. Het is alsof de molens de polder optillen uit zijn horizontale stilte en hem verbinden met een kosmische beweging. De wind, onzichtbaar maar voelbaar, wordt zichtbaar in hun draaiing. Zo wordt het ongrijpbare tastbaar en krijgt het vluchtige een vorm. De boer die zijn akker bewerkt, ziet hoe de molens boven hem hun wals uitvoeren. Hij weet dat zijn arbeid geworteld is in de grond, maar dat de molens hem herinneren aan de lucht, aan het onbegrensde. Het zijn vleugels die niet wegvliegen, maar blijven, verankerd in beton en staal en toch voortdurend in beweging. Zij zijn de schijnbare tegenstrijdigheid van het bestaan, zowel vast als vluchtig en zowel aards als hemels. De polder zelf lijkt te luisteren. Het water in de sloten rimpelt mee, de vogels trekken soms roekeloos hun lijnen langs de wieken en de horizon wordt een toneel waar mens en natuur elkaar ontmoeten. De molens zijn geen indringers, maar nieuwe bomen van een ander bos, een futuristisch bos dat niet groeit in wortels maar in cirkels van lucht. En zo wordt de Noordoostpolder een plaats van resonantie. Hier waait de wind niet slechts over het land, maar door de ziel van wie kijkt en luistert. De molens zijn vleugels die ons herinneren dat wij deel uitmaken van een groter geheel. Zij fluisteren dat vooruitgang niet het einde van traditie is, maar een nieuwe vorm van verbinding. Wanneer de avond valt en de zon zijn wieken rood kleurt, lijkt het alsof de polder zelf opstijgt. Niet letterlijk, maar in spirituele betekenis, als een verheffing van het vlakke naar het verhevene. Vleugels, die over de polder waaien, dragen niet alleen energie, maar ook een gelofte dat de mens, in zijn streven naar licht en kracht, steeds opnieuw de harmonie kan vinden met het Al. Dit verhaal is bedoeld als beschouwing die de windmolens niet enkel technisch of functioneel benadert, maar ze plaatst in een filosofisch en poëtisch kader. Als vleugels van de polder, als symbolen van verbinding tussen aarde en kosmos. Ik kijk omhoog. Geen reuzen, maar machines. De wieken draaien traag en machtig, maar nog steeds zijn ze een ontsiering van het polderlandschap in mijn beleving van de natuur. Misschien is mijn beleving nog te conservatief en wil ik iets blijven zien, zoals een molen op romantische schilderijen. Hoe poëtisch je die reuze molens ook zou kunnen beschrijven. In je liefde voor poëtisch proza kun je alles romantiseren, zelfs een reus.

 J.J.v.Verre

zaterdag 20 december 2025

Kerstgedachte.

 

De kerstgedachte is het licht van de schemering waarin het menselijke en het eeuwige elkaar aanraken. Een moment waarin tijd oplost en liefde haar contouren tekent in het donker.

Kerstmis is de zachte omkering van het jaar, waar het licht, nog maar een kiem in de duisternis, zich opnieuw aan ons toevertrouwt. Het is de tijd waarin de wereld even stilstaat, alsof de adem van de aarde wordt ingehouden, en wij als kleine reizigers in het grote donker, ons bezinnen en luisteren naar wat in ons fluistert. In de luwte van december wordt elke herinnering een kaars, elke stilte een wegwijzer, en elke gedachte een voetstap naar het onuitgesproken midden van onszelf. Het midden is de ruimte waar liefde niet iets is wat je geeft of ontvangt, maar iets wat je bent.

Daar klinkt ook de stem van vrede op aarde, die ons keer op keer in verwarring brengt wanneer we naar beelden van het journaal kijken. Met kerst lijken we te leven in een parallelle dimensie met een entourage van sneeuw, versierde bomen, lichtjes in allerlei vormen en kleuren. Ons leven wordt ondergedompeld in wat soms de illusie van liefde lijkt te zijn. Maar liefde laat zich niet manipuleren. Zij heeft zich verbonden met het ware licht, met betekenis en oprechtheid, met mildheid en aandacht, met verzoening, kwetsbaarheid, hoop en thuiskomst. Liefde is een klein lichtje dat weigert te doven. Een stilte. Een zachte blik. Een vertraagde stap. De bereidheid om niet te oordelen. Liefde is het allerbelangrijkste wat je bij je draagt. En het mooiste is om haar met een ander te delen. Dan raak je haar niet kwijt, maar vergroot je juist haar kracht. Wie veel liefde in zich draagt, kan stralen en de kille wereld verwarmen, pijn verzachten en het hart herinneren aan wat het nooit verloren heeft. Zo kan de sluimerende vonk in ieder wezen opnieuw ontwaken.

Zo wordt Kerstmis geen feest van uiterlijke pracht, maar een nederige thuiskomst, een terugkeren naar het licht dat wij het hele jaar al met ons meedragen, maar pas in deze heilige stilte durven te zien. In dat herwonnen licht herkennen wij elkaar opnieuw, als dragers van hetzelfde stille vuur. Het vuur dat liefde niet kan verschroeien, maar aanwakkert tot een hartstochtelijke intentie, de stille gloed waarin ieder mens zijn ware begin hervindt.


De kerstgedachte.

in het schemer tussen tijd en stilte
waar sneeuw de adem draagt,
ontwaakt een fluistering van oorsprong
als geheugen dat niet spreekt, maar weegt.

waar het duister zich opent als een kelk,
en licht zich niet toont, maar toevertrouwt,
wordt de mens spiegel van het onzegbare,
een drager van wat zich niet laat bezitten.

kerstgedachte is geen woord,
maar een trilling in het hart van de nacht,
waar liefde zich hult in eenvoud
het eeuwige zich buigt naar het kwetsbare.


J.J.v.Verre.



woensdag 17 december 2025

Sterven en daarna?

 


Een enkele kaars die brandt in de duisternis, haar licht en warmte verspreiden zich als zachte golven die de ruimte vullen, als symbool van voortzetting en resonantie van het leven. Het lichaam wordt aarde, een zak stof dat zich ontvouwt. De adem verdampt tot mist, het licht in de ogen dooft als een verre lamp achter de heuvels. En dan?? Dan begint het echte vertrek.

We staan op de oever van het bestaan, kijken uit over een zee van stilte waar geen boot ligt te wachten. De oversteek is geen reis, maar een ontbinding. Wij zijn het veer dat overgaat in water, de wijn die zich vermengt met de rivier. Wat "ik " heette, lost op in het grotere "wij " van de wind, het geheugen van de stenen, het donkere lied van de wortels onder het mos. Er is geen kaart. Er is alleen de vallende kier tussen voorheen en straks, een kier waar de tijd zelf doorheen lekt. Wie daar doorheen glijdt, wordt een herinnering in de adem van wie blijft. Een flard in de droom van een vreemde, een rimpeling in een plas waar later de maan in zal kijken. Misschien is daarna niet een plek, maar een terugkeer. Alsof een druppel zich herinnert dat zij de oceaan is. Alsof het licht dat eeuwen door de ruimte reist, eindelijk beseft dat het geen reiziger was, maar de reis zelf. Wij waren nooit de vlam, slecht het dansen ervan. Het dansen stopt. Het vuur......het vuur blijft. En wat overblijft is geen antwoord, maar een weerklank. Een vraag die nagalmt in het lege vertrek van het heelal. Waren wij ooit gescheiden, of hebben wij ons alleen maar ingebeeld dat wij alleen waren? In het verdwijnen ligt het antwoord, zachter dan stilte, ouder dan namen. Wij gaan niet heen. Wij worden teruggegeven. Aan het duister dat ons droeg, aan het licht dat ons vergat. En uiteindelijk, in die laatste ontvouwing van wat "ik " was, vallen alle vragen weg en blijft slechts het antwoord achter, niet als woord, maar als de voltooide stilte waaruit elk verhaal, opnieuw en opnieuw, voor het eerst begint.



              J.J.v.Verre.

dinsdag 16 december 2025

Het holografisch visioen.

De stad verrijst (1910), Umberto Boccioni (1882-1916) Olieverf op canvas 199/301 cm. MoMa, New York. Zoals Boccioni's stad verrijst in een dynamische stroom van licht, beweging en energie, zo verrijst het nieuwe denken als holografisch visioen. Een vibrerende totaliteit waarin mens en kosmos niet gescheiden zijn, maar samen pulseren in een tijdloze resonantie.


in web van licht en trilling,

waar golven zich ontmoeten,

verrijst een beeld dat geen deel kent,

waarin elke fractie het geheel draagt.



ons brein, als spiegel van het Al,

weeft herinnering als vibratie,

een fluistering van tijdloosheid,

een echo van het holoversum.



kortste weg is geen rechte lijn,

maar kromming door dimensies,

waar tijd zich niet voortbeweegt,

doch in vele richtingen openvouwt.



wij zien wat wij denken te zien,

wij horen wat wij verwachten,

toch is elk beeld een illusie,

een projectie van het kosmische veld.



het nieuwe denken opent zich,

niet door verleiding van bezit,

maar door ontwaken van inzicht,

waar ratio en intuïtie samenkomen.



zo wordt de mens veelvoudig,

een trilling van het Al,

een holografisch visioen,

dat zich eindeloos herhaalt.


J.J.v.Verre.