maandag 21 september 2026

Het verbloemde lijden.

 

Het schilderij Het verbloemde lijden van Wendela Westenburg, acryl op hout, april 2007.


Het schilderij Het verbloemde lijden ontvouwt zich als een innerlijke kamer waarin pijn niet rechtstreeks wordt getoond, maar gefragmenteerd en verhuld, in kleur en vorm uiteengelegd, alsof het lijden zelf een mozaïek is dat niet in één blik te vangen valt.

Wat opvalt, is hoe de drie figuren niet simpelweg naast elkaar staan, maar in elkaar grijpen als schakels van eenzelfde emotionele structuur. Hun lichamen bestaan uit gebroken vlakken, scherpe hoeken en afgeronde scherven, alsof ze niet uit vlees zijn opgebouwd, maar uit herinneringen en ervaringen die in stukken zijn gevallen en opnieuw zijn samengevoegd.

Die geometrische breuklijnen suggereren dat lijden niet lineair is, maar gelaagd: een mens kan tegelijk gebroken en dragend zijn, tegelijk aanwezig en verscholen.

De kleuren dragen die dubbelzinnigheid verder. Het rood pulseert als een onderhuidse wonde, het blauw ademt verstilling, het groen probeert te herstellen en het beige zoekt naar neutraliteit - maar niets staat op zichzelf. Elke kleur raakt een andere, vloeit erin over, wordt door een zwarte contour begrensd en toch ook weer doorbroken.

Dat maakt het lijden ‘verbloemd’: het wordt niet ontkend, maar omhuld door esthetiek, ritme en een ordening die zich bijna tot glas-in-lood verheft. Alsof het lijden zich langzaam tot vorm verzamelt en het pijnlijke herschept tot iets wat bekeken kan worden zonder eraan ten onder te gaan.

De zwarte lijnen functioneren als littekens: ze houden de figuren bijeen, maar tonen tegelijkertijd waar de breuken liggen. Ze zijn streng, maar niet vijandig - eerder een structuur die voorkomt dat alles uiteenvalt. De stralende patronen rondom de figuren suggereren beweging, een innerlijke energie die ondanks het lijden blijft stromen. Alsof het schilderij fluistert dat pijn niet het einde is, maar een fase van transformatie.

In de onderlinge verstrengeling van de drie figuren schuilt misschien wel het meest wezenlijke: lijden is zelden solitair. Het echoot tussen mensen, wordt gedeeld en gedragen en soms, onbewust, doorgegeven. De figuren lijken elkaar te ondersteunen, maar ook te belasten - een ambivalentie die het schilderij niet probeert op te lossen, maar juist eer aandoet door haar zichtbaar te maken.

Zo wordt Het verbloemde lijden een beeld van menselijke kwetsbaarheid die niet schreeuwt, maar zingt in gebroken akkoorden. Het is een stille erkenning dat schoonheid en pijn vaak uit dezelfde bron voortkomen en dat het verbloemen van lijden niet altijd een ontkenning is, maar soms een manier om het draaglijk te maken.

Misschien schuilt daarin ook de diepste betekenis van het schilderij: wat verborgen wordt, verdwijnt niet, maar krijgt een andere vorm - en soms is het juist in die nieuwe vorm dat het lijden zichtbaar, voelbaar en uiteindelijk draaglijk wordt.


J.J.v.Verre.

dinsdag 15 september 2026

Waarom ik Amerika afwijs.

 

Een man staat aan de rand van een klif, zijn rug naar ons toegekeerd, terwijl hij uitkijkt over een mistige kloof naar een glanzende stad aan de overzijde - het symbool van een wereld die hem lokt, maar waarin hij zichzelf niet wil verliezen. Tussen hem en die stad wappert een gescheurde Amerikaanse vlag, als de verbeelding van een verscheurde gedachte: tussen vooruitgang en geest, tussen het licht van de moderniteit en de stilte van de ziel.


Er is een wereld die schittert in glas en staal, een wereld die zichzelf voortdurend opnieuw uitvindt in de snelheid waarmee zij haar eigen schaduw voorbij wil rennen. Men noemt haar Amerika, maar in werkelijkheid is zij minder een land dan een houding; een ademhaling die te snel gaat voor wie nog weet wat het betekent te luisteren naar de trage polsslag van de geest.

Het merkwaardige is dat Menno ter Braak die wereld afwijst zonder haar ooit met eigen ogen te hebben gezien. Zijn Amerika is geen geografische plek, maar een geestelijke projectie, een spiegel waarin hij de contouren herkent van een moderniteit die hem benauwt. Juist omdat hij er nooit is geweest, kan hij Amerika lezen als een symbool, ontdaan van de verzachtende details van ervaring: een idee dat scherper snijdt dan een landschap dat men werkelijk heeft betreden.

Wanneer hij zegt dat hij Amerika afwijst, wijst hij geen continent af, geen volk, geen vlag. Hij wijst een manier van bestaan af die hem voorkomt als een voortdurende vlucht voor de diepte, een weigering om de tragiek van het mens-zijn onder ogen te zien. In Amerika, zoals hij het ziet, wordt de mens niet langer aangesproken op zijn innerlijke ruimte, maar op zijn bruikbaarheid, zijn snelheid en zijn vermogen zich aan te passen aan een ritme dat geen stilte duldt.

Het is een wereld waarin het individu oplost in de massa, waarin het gezicht vervaagt tot een functie en de ziel wordt gemeten in productiviteit en succes. Juist dat benauwt hem: dat de mens zichzelf verliest in een glans zonder diepte, in een licht dat niets verlicht behalve de buitenkant.

Europa daarentegen draagt, hoe gebroken ook, nog de herinnering aan een geest die zichzelf durft te bevragen, die niet bang is voor tragiek en die beseft dat de mens niet gemaakt is om voortdurend vooruit te hollen, maar ook om stil te staan en te luisteren naar de echo van zijn eigen vragen. In die echo schuilt een vrijheid die Amerika volgens hem niet kent: de vrijheid om niet efficiënt te zijn, om niet te hoeven schitteren, om niet te worden opgeslokt door het ritme van de massa.

Het is de vrijheid van de innerlijke strijd, van nuance en twijfel, een twijfel die niet vernietigt maar verdiept. Misschien is het juist omdat hij Amerika nooit heeft bezocht dat hij Europa des te helderder ziet: niet als een verzameling landen, maar als een geestelijke ruimte waarin de mens nog mag struikelen, twijfelen en zoeken.

Ter Braak ziet in Amerika een wereld die de mens wil bevrijden van zijn zwaarte, maar hem daarmee ook berooft van zijn diepte; een wereld die de tragiek wil genezen en daardoor tevens de mogelijkheid tot betekenis ondermijnt. Zijn afwijzing wordt zo geen afkeer, maar een waarschuwing: een zacht maar dringend pleidooi voor een mensbeeld dat niet wordt gereduceerd tot snelheid en nut.

Hij ziet hoe de moderne tijd, met Amerika als glanzende voorhoede, de mens verleidt tot een bestaan waarin hij zichzelf vergeet, waarin zijn innerlijke ruimte wordt verwaarloosd omdat zij niet rendeert. En hij vraagt zich af wat verloren gaat wanneer een cultuur geen plaats meer heeft voor het onhandige, het tragische, het onvolkomene en het onvoltooide - voor alles wat de mens tot mens maakt.

Misschien is dat de kern van zijn essay: niet dat hij Amerika echt afwijst, maar de verleiding om menselijkheid te verruilen voor efficiëntie, diepte voor snelheid en de ziel voor de schittering van een wereld die alles verlicht behalve haar binnenste. Zijn woorden herinneren eraan dat vooruitgang zonder innerlijke ruimte slechts beweging is, geen richting; dat een wereld die geen tragiek kent ook geen betekenis kan dragen; dat de mens, hoe modern hij ook wordt, altijd zal verlangen naar meer dan nut, succes of het ritme van de massa.

Hij verlangt naar een plaats waar de geest nog kan ademen, waar de stilte nog spreekt en waar de mens niet wordt gemeten, maar gezien.


J.J.v.Verre

vrijdag 11 september 2026

Het huis dat mij onthield.

 

Deze door AI gegenereerde afbeelding toont een jongenskamer die ooit de mijne had kunnen zijn. Misschien is het juist daarom dat ze zo vertrouwd aanvoelt: alsof een vergeten kamer uit mijn verleden voor even weer zichtbaar is geworden.

Ik droomde vannacht dat ik weer op mijn oude jongenskamer sliep.

Aan de muur hingen de vlaggetjes die ik vroeger spaarde, met punaises vastgezet. Ik zag de contouren van het raam, de gordijnen en mijn wastafel heel duidelijk. Ook mijn bed en het balkon waren er weer.

Tijdens het ontdromen - de fase waarin de droom langzaam van je afglijdt - vroeg ik mezelf af of ik in mijn gevoel dan ook weer iemand van twaalf jaar zou kunnen zijn.

Het mooie aan zulke dromen is dat ze je niet simpelweg terugwerpen in een oude kamer, maar in een oud bewustzijn. Je staat daar niet als een volwassen man die een decor uit het verleden bekijkt; je beweegt door een ruimte die ooit jouw wereld was: jouw schaal, jouw horizon. En in die overgang tussen slapen en ontwaken - dat zachte, halfdoorlatende gebied - kan je gevoel inderdaad even de leeftijd aannemen die bij die kamer hoort.

Niet omdat je werkelijk twaalf bént, maar omdat je innerlijke tijd niet lineair is. Je draagt al je leeftijden tegelijk met je mee. Soms schuift er één naar voren, zoals een dia in een projector, en dan kijk je weer door de ogen van het kind dat vlaggetjes spaarde en de contouren van een raam als een soort veilige grens herkende.

In dromen is identiteit vloeibaar. Je lichaam ligt in Otterlo, maar je gevoelsleven kan moeiteloos terugkeren naar een staat waarin de wereld nog kleiner was, intenser, directer. Het is niet zo dat je jezelf opnieuw wordt; het is eerder dat je even toegang krijgt tot een oude laag van jezelf - een laag die nooit verdwenen is, maar meestal stil onder de oppervlakte ligt.

En misschien is dat wel het wonderlijke: dat je tijdens het ontdromen merkt dat die twaalfjarige nog steeds in je woont. Niet als nostalgie, maar als een levende, voelbare aanwezigheid.

Misschien zijn we nooit helemaal weggegaan uit de kamers waarin we ooit kind waren. We dragen ze met ons mee, als stille kamers van binnen, en soms opent een droom de deur - zodat we even weer kunnen voelen wie we daar waren.

J.J.v.Verre.

maandag 7 september 2026

Pinoceros.

 

Ter nagedachtenis aan Pinoceros. In de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum in Otterlo staat een bronzen zelfportret van de Belgische kunstenaar Jan Fabre uit 2010. Deze foto, genomen in het zachte licht tussen de bomen, werd het zaad waaruit dit verhaal is gegroeid - een herinnering aan hoe een beeld soms meer waarheid draagt dan een mens durft uit te spreken. 

De Pinoceros - het wezen dat niet wist wat waarheid was


Er was eens, aan de rand van een bos waar de bomen ouder waren dan de herinneringen van de mensen, een vreemd wezen. Men noemde hem de Pinoceros. Hij had het gezicht van een jongen die ooit Pinokkio had kunnen zijn, maar uit zijn voorhoofd groeide geen gewone neus. Daar ontsproot een lange, zware hoorn, gebogen als een gedachte die te lang was uitgesteld. Zijn huid glansde als oud brons. Zijn haren lagen in golven om zijn hoofd, alsof de wind er jarenlang geheimen in had gefluisterd. Hij was half jongen, half neushoorn. Maar in werkelijkheid was hij vooral één ding: een vraag. Niemand wist wie hem had gemaakt. Sommigen beweerden dat een beeldhouwer hem uit een stuk metaal had gehouwen. Anderen zeiden dat hij was ontstaan uit een leugen die zo vaak verteld was dat zij uiteindelijk een lichaam had gekregen. Zelf geloofde de Pinoceros geen van beide verhalen. Dat was zijn eerste probleem: hij wist niet welk verhaal waar was.

 Op een dag vroeg hij aan een oude uil: "Waarom heb ik een hoorn?" De uil keek hem lang aan. "Om je waarheid te beschermen." "Maar waarom is hij zo lang?" "Omdat jouw waarheid ver weg woont." De Pinoceros dacht daarover na. "En waarom heb ik een gezicht van een jongen?" "Omdat je ooit hebt geleerd dat onschuldiger lijken gemakkelijker is dan eerlijk zijn." "Maar ik ben toch niet onschuldig?" "Nee," zei de uil. "En ben ik dan schuldig?" De uil glimlachte. "Dat hangt ervan af hoeveel van jezelf je probeert te verbergen."

Die nacht keek de Pinoceros naar zijn spiegelbeeld in een donkere vijver. Hij zag een merkwaardig wezen. Zijn ogen waren zacht, zijn kaak was sterk, zijn hoorn indrukwekkend. Maar onder alles wat hard leek, voelde hij iets heel kwetsbaars. Hij fluisterde: "Wie ben ik?" Het water antwoordde niet, want water kent geen antwoorden. Water weerspiegelt alleen.

De volgende ochtend besloot de Pinoceros de wereld in te trekken. Hij wilde ontdekken wie hij was door te horen wat anderen van hem vonden. In het eerste dorp riepen de kinderen: "Een monster!" In het tweede dorp zeiden de volwassenen: "Een neushoorn." In het derde dorp beweerde een koopman: "Een jongen met een bijzonder masker." Maar een oude vrouw, die hem heel aandachtig bekeek, zei: "Nee. Jij bent iemand die nog niet heeft besloten of hij een masker draagt." Die woorden bleven bij hem. Hij liep verder.

Na dagen reizen kwam hij bij een stad waar iedereen voortdurend loog. Niet uit kwaadheid. Men loog uit beleefdheid. Men zei: "Wat fijn je te zien," wanneer men iemand liever niet zag. "Het gaat uitstekend," wanneer men verdrietig was. "Ik ben niet bang," wanneer men beefde. De Pinoceros voelde zich er onmiddellijk thuis. Want hij kende liegen. Hij had ooit gemerkt dat zijn hoorn groeide wanneer hij onwaarheid sprak. Eerst vond hij dat verschrikkelijk. Maar in deze stad ontdekte hij iets wonderlijks: hoe meer hij loog, hoe langer zijn hoorn werd.

De mensen waren verrukt. "Wat een prachtige hoorn!" "Wat een machtig wezen!" "Wat een indrukwekkende verschijning!" Dus begon de Pinoceros steeds grotere leugens te vertellen. Hij zei dat hij onkwetsbaar was. Zijn hoorn groeide. Hij zei dat hij nergens bang voor was. Zijn hoorn groeide verder. Hij zei dat hij niemand nodig had. De hoorn werd langer. Tot hij op een dag niet meer door de straten kon. Zijn hoorn stak door deuren, brak ramen, sleepte achter hem aan als een zware geschiedenis. Toen begreep hij: een leugen maakt je niet kleiner

Een leugen maakt je vaak eerst groter. Sterker. Mooier. Indrukwekkender. Tot je uiteindelijk gevangen zit in het beeld dat je van jezelf hebt gemaakt.

De Pinoceros ging terug naar het bos. Hij was moe. Zijn hoorn was zo lang geworden dat hij nauwelijks nog kon lopen. Bij de vijver ging hij zitten. "Ik heb alles verkeerd gedaan," zei hij. Zijn spiegelbeeld keek hem aan. "Dat is waar." Hij schrok. Voor het eerst sprak het water.

"Wie ben jij?" vroeg hij. De Pinoceros wilde zeggen: Ik ben sterk. Maar hij zweeg. Hij wilde zeggen: Ik ben bijzonder. Maar hij zweeg. Hij wilde zeggen: Ik ben niet bang. Maar zijn stem trilde. Toen zei hij uiteindelijk: "Ik weet het niet." De hoorn kraakte. Een klein stukje brak af. De Pinoceros keek verbaasd. "Ik ben bang," zei hij. Weer brak er een stukje af. "Ik ben soms ijdel." Nog een stuk. "Ik wil dat anderen mij bewonderen." Nog een.

"Ik heb gelogen omdat ik bang was dat de waarheid niet genoeg zou zijn." De hoorn werd korter. En toen hij eindelijk zei: "Ik weet niet wie ik ben, maar ik wil het graag ontdekken," viel de laatste zware punt in het gras.

De Pinoceros keek naar zijn spiegelbeeld. Hij verwachtte een gewone jongen te zien. Of een neushoorn. Maar hij zag nog steeds hetzelfde vreemde wezen: een jongen, een dier, een vraag. En opeens begreep hij iets. Waarheid is niet het tegenovergestelde van fantasie. Waarheid is niet eens altijd een antwoord. Soms is waarheid de moed om een vraag open te laten. Hij hoefde niet te kiezen tussen Pinokkio en de neushoorn. Hij hoefde niet te beslissen of hij zacht of sterk was. Mens of dier. Onschuldig of schuldig. Kwetsbaar of machtig. Hij was het allemaal. En misschien was dat precies wat hem zo vreemd maakte. En zo menselijk.

Vanaf die dag liep de Pinoceros door het bos. Zijn hoorn was kort geworden, maar niet verdwenen. Want een mens zonder verlangens, angsten of tegenstrijdigheden bestaat niet. Af en toe vertelde hij nog een leugen. Dan voelde hij zijn hoorn een beetje groeien. Hij glimlachte dan - niet omdat hij trots was op zijn leugen, maar omdat hij inmiddels wist wat hij moest doen. Hij stopte. Keerde terug. En zei: "Laat ik het opnieuw proberen." Want volwassen worden, ontdekte hij, betekent niet dat je nooit meer liegt. Het betekent dat je leert terug te keren naar de waarheid. En zo werd de Pinoceros uiteindelijk geen jongen. Geen neushoorn. Geen monster. Geen held. Hij werd iets veel zeldzamer: zichzelf.

En wanneer de maan ’s nachts over het bos scheen, kon men zijn gestalte zien tussen de bomen: een glanzend wezen met een korte hoorn en een oud gezicht. Een beetje Pinokkio. Een beetje neushoorn. En helemaal, enkel en alleen: een waarheid die nog steeds onderweg was. Want elke waarheid die onderweg is, draagt het wonder in zich dat zij morgen iemand anders kan zijn.

J.J.v.Verre.



zondag 6 september 2026

Aardappelen.

 

Afbeelding van het schilderij Stilleven met aardappelen van Vincent van Gogh 1889. Kröller-Müller Museum, Otterlo.

De aardappel is een vorm van aarde die zich tot voedsel heeft verdicht: een stille concentratie van donkerte en geduld. Hij ontstaat niet door een explosie van groei, maar door een langzame verzadiging. De grond ademt hem uit, als een gedachte die zich langzaam materialiseert. In zijn huid draagt hij nog de korreligheid van de bodem, een herinnering aan het element waaruit hij is voortgekomen. Wie hem in handen houdt, voelt iets van die oorsprong, alsof de aarde zelf even wordt aangeraakt.

Misschien is dat waarom de aardappel zo’n bijzondere plaats inneemt in het menselijke bestaan. Hij is geen vrucht die zich boven de grond verheft, geen plant die haar schoonheid aan de lucht toont. Hij kiest voor het verborgene, voor het onzichtbare werk dat zich onder de oppervlakte afspeelt. En juist daarin lijkt hij op ons: ook wij dragen onze groei vaak in stilte, in lagen die niemand ziet, in gedachten die pas later aan de oppervlakte komen. De aardappel is een spiegel van het onopgemerkte, van het leven dat zich vormt zonder dat het onmiddellijk begrepen hoeft te worden.

Wanneer hij uiteindelijk wordt opgegraven, komt hij tevoorschijn als een kleine, compacte belofte. Niet luid, niet trots, maar aanwezig op een manier die bijna ontroerend is. Hij heeft geen behoefte aan pracht of praal; zijn waarde ligt in zijn eenvoud. In tijden van overvloed wordt hij bijna vergeten, maar in tijden van schaarste blijkt hij een trouwe metgezel, een stille redder die de mens door moeilijke seizoenen heen draagt. Zo laat hij zien dat juist het meest bescheiden vaak het meest standvastig is.

In de keuken ontvouwt de aardappel zijn tweede leven. Hij laat zich koken, stampen, poffen en bakken, zonder ooit zijn essentie te verliezen. Beroemd geworden als frites in de fastfoodwereld, laat hij zich in dunne, goudkleurige stroken snijden en geeft hij zich zonder protest over aan het sissen van de olie. Hij is een soort voedsel dat zich niet verzet tegen transformatie, maar zich er zachtjes aan overgeeft. Misschien is dat wel de diepste les die hij ons leert: dat eenvoud niet betekent dat iets arm is, maar dat het ruimte laat voor vele vormen van vervulling. De aardappel is als een soort innerlijke ademhaling, een rustpunt in een wereld die steeds sneller draait.

En zo wordt hij meer dan een knol. Hij wordt een verhaal over oorsprong, over verborgen groei en over de kracht van het ongecompliceerde. Een herinnering aan het feit dat het voedende vaak ontstaat uit het stille, uit het donkere, uit datgene wat zich langzaam verdicht tot iets dat ons draagt. In de aardappel proeven we niet alleen de aarde, maar ook iets van onszelf - een zachte echo van het leven dat zich in stilte vormt en toch onmiskenbaar aanwezig is.

J.J.v.Verre.

woensdag 2 september 2026

Houten adem.

 

Afrikaanse kunst is een veld dat ademt als een oerbos: gelaagd, ritmisch en doorleefd. Deze houten figuren, met hun gestrengelde koorden en geometrische littekens, passen in de lange geschiedenis waarin hout niet zomaar materiaal is, maar een drager van geheugen, gemeenschap en aanwezigheid. Afrikaanse sculptuur is nooit louter decoratief. Het is een vorm van spreken zonder woorden. Hout wordt een lichaam dat rituelen draagt, een plaats waar voorouders worden aangeroepen, een gestolde beweging van het spirituele naar het tastbare. De grote centrale figuur, met het koord dat door haar torso rijgt, doet denken aan beschermingsbeelden, krachtfiguren of fetish beeldjes - objecten die niet alleen worden bekeken, maar worden gebruikt, aangeraakt en gevoed met intentie. De kleinere figuren ernaast lijken bijna als wachters, begeleiders, stemmen die de centrale aanwezigheid flankeren.


Houten adem.

Het kunstwerk dat zich hier toont, spreekt vanuit een wereld waarin stilte niet leeg is, maar gevuld met de adem van voorouders. In het hout leeft een trage puls - een herinnering die zich niet in woorden laat vatten, maar die zich nestelt in de ruimte tussen kijken en voelen. De centrale figuur staat daar als een poortwachter van een innerlijk landschap: een lichaam dat niet alleen vorm heeft, maar ook richting. De koorden om zijn torso zijn geen beperking, maar eerder een ritmische omsluiting, alsof het hout zich de krachten herinnert die het dragen. Elke knoop lijkt een gedachte, elke lus een eens uitgesproken gebed dat in het materiaal is blijven hangen. 

De kleinere figuren naast haar zijn geen ondergeschikten, maar echo's van dezelfde bron. Fluisteringen van een gemeenschap die niet is verdwenen, maar zich heeft teruggetrokken in de diepte van het hout. Hun eenvoudige gezichten dragen een sereniteit die niet naïef is, maar oud - alsof ze weten dat aanwezigheid niet luid hoeft te zijn om krachtig te blijven. Samen vormen ze een stil koor, een kring van aandacht rond de grote moederfiguur, die zelf lijkt te luisteren naar iets wat wij niet kunnen horen.

Afrikaanse kunst, in deze vorm, is nooit louter object. Het is een plek waar zichtbare en onzichtbare werkelijkheden elkaar raken. De geometrische patronen op het gezicht van de centrale figuur zijn geen versiering, maar betekenisvolle littekens - lijnen die de grens markeren tussen het menselijke en het spirituele. Het hout draagt de warmte van handen die het hebben aangeraakt, de intentie van rituelen die het hebben geactiveerd, de verhalen die het heeft gedragen zonder ze ooit uit te spreken. Het is een lichaam dat niet leeft zoals wij, maar dat een eigen aanwezigheid kent: een trage, diepe vibratie die je pas voelt wanneer je lang genoeg blijft kijken.

In deze sculpturen lijkt tijd niet lineair. Ze staan er alsof ze er altijd hebben gestaan - niet gemaakt, maar gevonden, als wortels van een wereld die onder de zichtbare laag ligt. Hun houding, de symmetrie van hun vormen, de rust in hun gezichten: het is of ze wachten, maar niet op ons. Ze wachten op het moment waarop betekenis weer door hen heen stroomt, wanneer een ritueel hen opnieuw activeert, wanneer een gemeenschap hen weer aanspreekt als deel van haar levende geheugen.

En toch, zelfs zonder dat ritueel, dragen ze iets over. Ze herinneren ons eraan dat kunst niet louter een esthetisch object is, maar een brug - tussen generaties, tussen het tastbare en het numineuze, tussen individu en gemeenschap. Dit kunstwerk staat er als een stille leraar, een gestolde ademtocht van een cultuur die haar wijsheid niet in boeken bewaart, maar in vormen, in ritmes, in hout dat blijft leven door de handen die het ooit vormgaven.

Wanneer je ernaar kijkt, lijkt het alsof het beeld jou op zijn beurt bekijkt - niet om te oordelen, maar om te peilen of je bereid bent te luisteren naar wat niet wordt gezegd. In die wederzijdse blik ontstaat een ruimte waarin de tijd even stilvalt, waarin je voelt dat schoonheid niet alleen in vorm ligt, maar in de aanwezigheid van iets dat groter is dan jezelf. Het kunstwerk wordt dan een innerlijke kompasnaald, die zachtjes trilt en je herinnert aan de diepte van menselijke verbondenheid, aan de kracht van ritueel, aan de stilte die niet leeg is, maar vol.

Zo staat het daar: niet als object, maar als aanwezigheid. Een houten adem, een gestolde herinnering, een zachte schemerzone waar verhalen zich blijven ontvouwen.

En wie lang genoeg blijft staan, voelt uiteindelijk dat niet hij naar het beeld kijkt, maar dat het beeld hem draagt - niet als een rivier die je oversteekt, maar die je meeneemt naar een oever die je pas herkent wanneer je er bent aangekomen.


J.J.v.Verre.











donderdag 27 augustus 2026

Omgekeerde vlag.

 

Het doet me eerlijk gezegd een beetje pijn wanneer ik langs de snelweg een Nederlandse vlag ondersteboven aan een paal zie hangen. Waarom precies, weet ik niet. Misschien is het een stukje chauvinisme, of gewoon het gevoel dat de Nederlandse vlag voor mij iets vertegenwoordigt.
Ik steun de boeren in hun protest en begrijp hun zorgen. Tegelijkertijd begrijp ik ook heel goed dat er zaken moeten veranderen. Als we niets doen, lopen we het risico dat er uiteindelijk voor iedereen weinig meer overblijft dan een tuin vol brandnetels, gras en bramenstruiken.
Misschien zit de waarheid ergens tussen protest en verandering: luisteren naar elkaar, ruimte geven aan wat moet veranderen, maar ook oog houden voor wat we willen behouden. 

Blauw, wit en rood langs een sloot,

valse vlaggen hangen zielloos rond.

De stikstofregel moet verzachten,

als regen op verschraalde grond


Het draagt de herinnering mee

aan wat ooit vloeibaar was en teer,

wacht slechts op één druppel vocht

die haar wakker kust – tot leven weer.


De wind die eens de vlag liet dansen,

fluistert nu een lege klacht.

Geen kleur die nog kan prikkelen;

de stilte heeft haar waan gebracht.


Het water spiegelt grauwe wolken,

geen teken meer van wat er was.

Regen valt niet om te troosten,

maar tekent alles grauw als as.


Geen gesprek dat ooit begon,

want woorden sterven in de wind.

Geen akkers, weiden, boerenstemmen -

bestuurders blijven agrarisch blind.


Als boeren konden praten,

en luisteren werkelijk was,

dan hingen al die mooie vlaggen

met rood weer boven in het gras.


J.J.v.Verre.





woensdag 26 augustus 2026

Weggaan.

 

Weggaan, een prachtig gedicht van Rutger Kopland, uit: Het orgeltje van yesterday, 2000.

Koplands gedicht Weggaan ademt de zachte paradox van een beweging die geen duidelijke richting kent: een verdwijnen dat niet werkelijk verdwijnt. Weggaan wordt losgemaakt van de dramatische handeling die we er gewoonlijk mee verbinden. Het is geen abrupt afscheid of een dichtslaande deur, maar een bijna onmerkbare verschuiving van aanwezigheid naar een andere vorm van zijn. Alsof iemand zich uit het licht terugtrekt, maar toch in de kamer blijft hangen: als een geur, een gedachte, een heimelijke verwachting.

Het gedicht keert daarmee de logica van weggaan om: wie weggaat, blijft. Niet langer als lichaam, maar als herinnering, als verwachting, als iemand op wie nog altijd wordt gewacht. De dichter laat zien hoe sterk de menselijke neiging is om elkaar vast te houden, zelfs wanneer de ander zich aan onze aanwezigheid onttrekt. Juist in dat vasthouden ontstaat een tweede vorm van aanwezigheid: een stille echo van iemand die er niet meer is, maar toch niet werkelijk kan verdwijnen. Weggaan wordt zo paradoxaal genoeg een vorm van blijven, een bestaan dat zich voortzet in de ruimte tussen herinnering en verwachting.

Die paradox krijgt aan het einde van het gedicht haar sterkste vorm. Niemand wacht, niemand neemt afscheid, omdat degene die weggaat er tegelijkertijd nog is. Het gedicht eindigt daardoor niet met een duidelijke conclusie, maar met een zachte ontbinding van het begrip ‘vertrek’. Weggaan kan zo klein en stil worden dat het nauwelijks wordt opgemerkt. Iemand kan verdwijnen zonder werkelijk afwezig te zijn, omdat aanwezigheid niet uitsluitend verbonden is met lichamelijk bestaan. Wat achterblijft, is het spoor dat iemand in het leven van een ander heeft getrokken.

Daarmee onderzoekt Kopland de dunne grens tussen zijn en niet-zijn, tussen vertrekken en blijven, tussen het zichtbare en het onzichtbare. Weggaan is niet simpelweg een beweging van de ene plaats naar de andere, maar een verandering van de manier waarop iemand aanwezig is. De afwezige blijft voortbestaan in herinneringen, verwachtingen en gevoelens.

Zo wordt Weggaan uiteindelijk een fluistering: een beweging die zich niet laat vangen in dramatische taal, maar zich nestelt in de stille plekken van het bestaan. Het gedicht laat zien dat verdwijnen niet hetzelfde is als ophouden te bestaan. Soms blijft iemand juist het sterkst aanwezig op het moment dat hij of zij niet langer fysiek aanwezig is. De herinnering blijft ademen, ook wanneer degene die haar achterliet al lang is doorgelopen.

In de afbeelding rust een kamer in schemerlicht, waar een open deur een strook goud over de houten vloer werpt. Een lege stoel en een stapel boeken wachten stil, alsof ze luisteren naar het zachte verdwijnen van iemand die net is opgestaan. Achter de deur vervaagt een figuur in het licht, een aanwezigheid die blijft hangen als herinnering aan het niet-weggaan of aan het niet-aanwezige.

J.J.v.Verre.







zaterdag 22 augustus 2026

Ga nu maar liggen liefste.

 

Dit mooie gedicht van Rutger Kopland getiteld Ga nu maar liggen liefste. In: Een plek om te blijven, 1975. Afbeelding enigszins bewerkt overgenomen van Rozemarijn van Leeuwen.

Er zijn gedichten die niet zozeer gelezen als wel betreden worden, alsof je een tuin binnenstapt waar het hoge gras de tijd vertraagt en de stilte een eigen contour krijgt. Rutger Koplands Ga nu maar liggen liefste is zo’n gedicht. Het begint niet met een gedachte, maar met een gebaar: een zachte uitnodiging die de lezer onmiddellijk in een intieme ruimte plaatst. Ga nu maar liggen liefste in de tuin - die ene regel opent al een wereld: een beweging naar rust, naar nabijheid, naar het verdwijnen in iets dat groter is dan jezelf. Onder die tederheid ligt een dieper verlangen, een verlangen dat niet draait om bezit, maar om beschikbaarheid: het verlangen een plek te zijn, niet voor jezelf, maar voor iemand anders.

De tuin die Kopland oproept, is nooit zomaar een tuin. Het is een innerlijke topografie, een landschap dat tegelijk buiten en binnen ligt. Het hoge gras is niet alleen natuur, maar ook een vorm van tijd: een zachte vertraging waarin iemand kan rusten zonder dat er iets van hem of haar wordt gevraagd. In die tuin krijgt leegte een eigen kwaliteit. De lege plek is geen tekort, maar een mogelijkheid; een ruimte die juist door haar openheid betekenis krijgt. Het is een plek waar iemand kan blijven, niet omdat het moet, maar omdat de ruimte hem draagt.

Misschien ligt het meest ontroerende moment in het verlangen van de schrijver om zelf die lege plek te zijn. Niet om iets te doen, niet om te spreken of zelfs maar te troosten, maar eenvoudigweg om een plek te zijn waar iemand kan liggen, waar iemand kan thuiskomen. Het is een liefde die zich niet allereerst uitdrukt in daden, maar in beschikbaarheid: een liefde die niet duwt, maar opent; die niet grijpt, maar draagt. Het verlangen om een lege plek te zijn, is een verlangen om niet te overheersen en niets te bepalen, maar ruimte te bieden. De liefde is hier bijna onzichtbaar geworden: zij trekt zich terug zonder afwezig te worden en blijft aanwezig als een veld, als een zachte ondergrond waarop iemand kan rusten.

In veel poëzie is leegte iets wat gevuld moet worden. Bij Kopland is leegte juist een vorm van nabijheid. De leegte in het hoge gras is geen gat, maar een contour van aanwezigheid: een plek die precies door haar leegte betekenis krijgt. De schrijver wil die leegte zijn, niet omdat hij niets is, maar omdat hij ruimte wil bieden. Leegte wordt zo een manier van liefhebben: een plek waar iemand kan blijven zonder te hoeven veranderen, spreken of voldoen. Het is een liefde die niet om onmiddellijke wederkerigheid vraagt, maar de ander eenvoudigweg rust gunt.

Daarin schuilt ook een subtiele paradox. Om een plek voor iemand anders te kunnen zijn, moet je zelf als het ware verdwijnen - niet letterlijk, maar in de zin van ego, verwachting en het verlangen naar erkenning. De schrijver wil niet noodzakelijk gezien worden, maar beschikbaar zijn: als rustplaats, als bedding, als stilte. Dat geeft het gedicht iets bijna mystieks. Het gaat om het verlangen op te gaan in de wereld van de ander, niet om zichzelf volledig te verliezen, maar om zichzelf beschikbaar te maken. Liefde draait hier niet om identiteit, maar om aanwezigheid.

Misschien blijft dit gedicht zo sterk resoneren omdat het iets raakt aan een menselijke hunkering die maar zelden wordt uitgesproken: het verlangen niet alleen iemand te zijn, maar ook een plek te kunnen zijn. Een plek waar iemand kan thuiskomen. Een plek die niet onmiddellijk verandert wanneer de ander komt of gaat. Een plek die blijft, zelfs wanneer er niemand ligt.

In een wereld die voortdurend vraagt om zichtbaarheid, prestaties en een duidelijke identiteit, krijgt Koplands leegte iets van verzet. Geen luid of heroïsch verzet, maar een zachte, stille vorm ervan. Juist daarin schuilt haar kracht: de weigering om liefde te begrijpen als bezit, actie of zelfbevestiging. Liefde wordt hier ruimte. Een lege plek in het hoge gras waarin de ander mag liggen - en waarin aanwezigheid juist voelbaar wordt doordat de spreker zichzelf niet op de voorgrond plaatst.

Misschien is dat uiteindelijk wat liefde vermag: zo diep aanwezig zijn dat je jezelf kunt loslaten en in de ruimte die daardoor ontstaat, een plek wordt waar de ander even mag rusten.


J.J.v.Verre.




woensdag 19 augustus 2026

Een verbonden gezin.

 

Dit schilderij van Mieke van Ameijde, getiteld Een verbonden gezin, laat zich poëtisch-filosofisch lezen als een verbeelding van de menselijke verbondenheid: liefdevol en onvermijdelijk, maar tegelijk ook kwetsbaar. Het toont hoe ieder individu zijn eigen weg gaat, en toch met de ander verstrengeld blijft.


In dit schilderij lijkt het gezin niet simpelweg te bestaan uit zeven figuren die naast elkaar staan, maar uit zeven bewegingen binnen één adem. Hun lichamen zijn geen afzonderlijke vormen; ze zijn bochten in dezelfde stroom, variaties binnen één gebaar dat zich door de tijd heen uitstrekt. De lijnen die hen omtrekken zijn geen grenzen maar paden - routes waarlangs nabijheid zich telkens opnieuw uitvindt, als draden in een familiaal netwerk dat niet wordt gezien maar wel wordt gevoeld. In die stille structuur van onderlinge afhankelijkheid beweegt ieder individu vrij, maar nooit zonder de resonantie van de anderen.

Elk personage draagt een eigen ritme, een eigen kleur, een eigen manier van aanwezig zijn. Het gezin wordt zo geen verzameling gelijken, maar een constellatie van verschillen die elkaar niet opheffen maar dragen. Verbondenheid verschijnt hier niet als een stilstaand geheel, maar als een voortdurende choreografie van uiteenlopende levens die elkaar blijven raken, zelfs wanneer ze uiteen bewegen.

De grote ogen - die bijna te groot zijn voor de gezichten die hen dragen - lijken te luisteren. Ze zoeken elkaar niet om te controleren, maar om te bevestigen dat men gezien wordt, dat men bestaat in het licht van de ander. De blik wordt een zachte draad: een vorm van aanraking die geen huid nodig heeft.

De kleuren spreken in tegenstellingen die elkaar niet bestrijden maar omarmen. Het warme oranje en rood: de puls van nabijheid, de warmte van gedeelde oorsprong. Het blauw: de ruimte die ieder nodig heeft om zichzelf te blijven, de afstand die niet afsnijdt maar ademt. Tussen die twee polen beweegt het gezin als een slingerende melodie: soms dichter bij elkaar, soms verder weg, maar altijd binnen hetzelfde veld van betekenis.

Er is een subtiele deterministische onderstroom: alsof ieder individu niet alleen zichzelf vormt, maar ook gevormd wordt door de anderen. De menselijke entiteiten lijken te zeggen dat identiteit geen soloproject is. Men draagt echo's van elkaar mee - in gebaren, in angsten, in verlangens, in de manier waarop men naar de wereld kijkt. Vrijheid verschijnt hier niet als losmaking, maar als het bewust leren bewegen binnen de draden die ons hebben voortgebracht.

Zo wordt Een verbonden gezin een kleine levensfilosofie in acrylverf: 

Wij zijn lijnen die elkaar kruisen, wij zijn kleuren die elkaar dragen, wij zijn bewegingen die elkaar herinneren. Geen mens ontstaat alleen; ieder wordt geboren in een web van blikken, stemmen, stiltes. En misschien is familie precies dat: een dans waarin niemand wordt vastgezet, maar waarin niemand ooit helemaal verdwijnt.

Wij zijn afzonderlijke lijnen,
maar geen lijn tekent zichzelf.
Waar wij vandaan komen, woont in ons voort;
waar wij naartoe gaan, raakt altijd iemand anders.
En misschien is familie precies dat:
elkaar vasthouden zonder elkaar stil te zetten.

Het schilderij toont niet zomaar een gezin, maar een universeel principe: wij worden onszelf pas in de ruimte tussen ons en de ander - een tussenruimte die hier zichtbaar wordt als licht, kleur en beweging op dit intuïtieve doek. In elke lijn, in elke kleur ligt een stille herinnering aan het wonder van wording: dat wij elkaar vinden door samen te bestaan.


J.J.v.Verre.

dinsdag 18 augustus 2026

Vlieg op raam.

 

Een vlieg die aan de buitenkant van het raam zit - zo'n klein, haast achteloos wezen - kan ineens een stille openbaring worden.


Ze rust daar als een punt van leven tegen het glas, een miniatuurreiziger die even pauzeert tussen hemel en kamer. Haar vleugels trillen nog zacht in het bewolkte licht, alsof ze een boodschap draagt die te licht is om in woorden te bestaan. Buiten strekt de wereld zich uit in wind, regen en ruimte; binnen heerst de besloten vredigheid van het huis. En precies op die grens, waar binnen en buiten elkaar raken zonder zich te vermengen, houdt zij haar wacht.

Het is een moment dat niets vraagt en toch iets zegt: hoe zelfs het kleinste leven een glans kan werpen op een druilerige dag. Hoe een vlieg -  eenvoudig en onopvallend - ons kan leren het gewone als iets wonderlijks te zien.

Ze blijft daar zitten, een stip van beweging in een wereld die bijna te groot lijkt voor haar fragiele lijfje. Af en toe trilt ze even, maar ze verandert niet van plaats. Alsof ze de warmte van het glas koestert en luistert naar de stille adem van de kamer aan de andere kant. Haar pootjes tasten het ruitoppervlak af met een bijna rituele voorzichtigheid: een klein dansje dat niemand ziet en toch zijn eigen betekenis lijkt te dragen.

De buitenlucht strijkt langs haar lichaam. Een vleugelrand vangt het licht, en op het glas verschijnt een zilveren zweem die even op een gedachte lijkt - vluchtig, helder, meteen weer verdwenen.

Ze is een reiziger zonder bestemming, een klein wezen dat de grens tussen binnen en buiten bewaakt zonder te weten dat die grens bestaat.

En terwijl je kijkt, wordt het moment langzaam iets anders. Het verdiept zich tot een stille meditatie, een zachte herinnering dat het leven zich vaak juist toont in het kleinste en meest onopvallende.

Een vlieg die even pauzeert op het raam.

Meer is er niet nodig om de wereld voor een ogenblik open te breken tot een klein wonder.


J.J.v.Verre.

woensdag 5 augustus 2026

Wollige wolken.

 

Een persoon ligt stil in het dauwnatte gras en kijkt omhoog naar een uitgestrekte blauwe hemel waarin wollige wolken langzaam voorbijdrijven in het zachte licht van de vroege ochtend. De warme gloed van de opkomende zon en de rustige compositie roepen een gevoel op van verstilling, verwondering en een innige verbondenheid met de natuur.


Wollige wolken trekken voorzichtig door de blauwe lucht, als gedachten die langzaam ontwaken in een geest die nog half in stilte verkeert. En terwijl ze voortglijden, lijkt de wereld zelf even te aarzelen: het licht wordt niet meteen fel, maar spreidt zich als een zachte hand over de ochtend uit. In die traagheid ontstaat een ruimte waarin alles nog niet geformuleerd is - een tussenlaag van helderheid en droom, waar elke wolk een stil signaal draagt van wat nog niet gezegd is. Zo ademt de hemel zijn eerste zinnen, en ik lig eronder in het nog natte gras, luisterend naar een dag die zich langzaam herinnert dat hij moet beginnen. 

Terwijl ik daar lig, lijkt er een gesprek op gang te komen – niet hardop, maar in de stille ruimte tussen mij en de hemel. Waar ga je heen? vraag ik de wolken, zonder woorden te gebruiken. Ze verschuiven heel even van vorm, alsof ze willen antwoorden: Nergens. We zijn al onderweg. Ik volg hun beweging en probeer hun traagheid te begrijpen, maar zij lijken mijn vragen te ontwijken met hun eigen zachte logica. Waarom zo voorzichtig? denk ik. Een van de wolken rekt zich uit tot een lange slang, alsof zij fluistert: Omdat elke ochtend opnieuw moet leren hoe te beginnen. Zo ontstaat een dialoog die niemand hoort, een uitwisseling van intenties en aarzelingen, waarin de wolken en ik elkaar even herkennen in het langzame ontwaken van de dag. 

Ergens tussen mijn adem en hun beweging ontstaat iets dat geen naam nodig heeft: een dunne draad die niet wordt gespannen, maar eenvoudig aanwezig is, alsof de lucht zelf een brug vormt tussen wat boven mij drijft en wat in mij beweegt. De wolken trekken verder, maar een deel van hun traagheid blijft in mij achter, als een stille herinnering dat alles - zelfs het licht, zelfs ik - deel uitmaakt van dezelfde langzame stroom. Zo wordt de ochtend een plek waar grenzen even oplossen, waar mijn geest en de hemel elkaar niet raken, maar toch in elkaars richting neigen, verbonden in een gedeelde, bijna onuitgesproken beginzin van de dag. En misschien is dat genoeg: niet om de wolken te begrijpen, maar om met hen mee te leren drijven. 

Wanneer ik uiteindelijk opsta uit het nog natte gras, loopt iets van die ochtend nog lang met mij mee.


J.J.v.Verre.



donderdag 30 juli 2026

Sterrenpracht.

 

De afbeelding toont een zittend persoon aan de oever van een meer, verzonken in diepe overpeinzing. Hij kijkt naar de fonkelende sterrenhemel waarin de Melkweg als een lichtende stroom de nacht doorkruist. De verstilde compositie verbeeldt de sterrennacht niet alleen als een uitgestrekt kosmisch landschap, maar ook als een innerlijke ruimte waarin herinnering, verlangen en zelfontmoeting samenvloeien.

Het spel van licht en schaduw bedwelmt mijn adem, alsof ieder beweging van het donker een nieuwe vorm van aanwezigheid in mij aanraakt. Oh sterrenpracht van deze bijzondere nacht, waarin de stilte zich uitstrekt als een zachte mantel over mijn gedachten. Mijn hoofd lijkt betoverd door jouw glinsterende adem, die zich als een zachte stroom langs de randen van mijn bewustzijn vleit. Langzaam lossen mijn gedachten op en droom hoe de nacht zich om mij heen sluit als een ademende ruimte, een plek waar alles wat ik overdag probeer te begrijpen eindelijk mag rusten. In dat zachte zweven tussen waken en verdwijnen lijkt de sterrenlucht een deur te openen naar iets wat niet helemaal van deze wereld is: een trage stroom van beelden, herinneringen, verlangens die zich als lichtvlekken verzamelen aan de binnenkant van mijn bewustzijn.

Ik droom dat de stilte mij draagt, alsof ik even gewichtloos word in een universum dat niets van mij verlangt behalve aanwezigheid. Iedere ster fluistert haar eigen verhaal, een klein geheim dat alleen in deze nacht hoorbaar wordt. Het donker is geen grens meer, maar een uitnodigende ruimte waarin ik mijzelf opnieuw ontmoet.

Zo droom ik verder, gedragen door een nacht die niet alleen om mij heen ligt, maar ook door mij heen beweegt: een tedere, bijna heilige trilling die iedere gedachte losweekt uit haar vaste vorm. In deze diepte lijkt het alsof de sterren niet langer boven mij hangen, maar zich vermengen met mijn eigen binnenwereld, als kleine brandpunten die helder blijven oplichten.

De nacht ademt, en met iedere ademhaling verschuift iets in mij: een oud verlangen dat zich uitstrekt, een vergeten herinnering die zich behoedzaam opricht, een fluistering die niet van buiten komt, maar uit een plaats die ik lange tijd vermeed te betreden. Het is alsof de duisternis mij niet omhult, maar doorlaat; alsof zij mij uitnodigt te verdwijnen in een ruimte waar geen richting bestaat, alleen aanwezigheid.

Terwijl ik verder sluimer, merk ik hoe de verstilling zich verdiept - niet als afwezigheid van geluid, maar als een zachte, dragende kracht die alles wat scherp is afrondt. De sterren zingen hun verhalen, en ik luister zonder te hoeven begrijpen. Ik voel hoe het donker zijn grenzen verliest en zich opent als een poort naar een innerlijk landschap dat alleen in deze nacht toegankelijk wordt.

Misschien is dit de ware betovering van de sterrenpracht: dat zij mij niet van mijzelf verwijdert, maar mij juist terugbrengt. Naar een plaats waar ik mijzelf ontmoet in mijn meest oorspronkelijke vorm: gewichtloos, ontvankelijk en ongebonden, bevrijd van alles wat mij overdag zo stevig vasthoudt.


J.J.v.Verre.




woensdag 15 juli 2026

Het Scheveningse vissersvrouwtje.

 

Dit bronzen beeld aan de boulevard van Scheveningen, vaak Kniertje genoemd, werd vervaardigd door de beeldhouwer Gerard Bakker en in november 1982 onthuld door Beatrix der Nederlanden.


"Voor allen die uitvoeren en niet terug keerden." Die woorden zijn niet alleen in steen gebeiteld, maar in het zachte, zoute geheugen van een dorp dat eeuwenlang leefde op het ritme van de zee. Het vissersvrouwtje in Scheveningen staat daar niet slechts als een beeld, maar als een stille wachter tussen werelden. Haar bronzen huid draagt de matte, verweerde glans van wind en tijd, alsof zij zelf langzaam is teruggekeerd uit een andere dimensie - een wereld waarin de stemmen van de verdronkenen nog fluisteren in de plooien van haar rok.

Aan haar voeten liggen bloemen, altijd bloemen, als resten van rituelen die elders hun taak al hebben vervuld. Bloemen die eerst een kist vergezelden, een afscheid markeerden, en hier opnieuw tot leven lijken te komen in het zicht van het verslindende water. Alsof rouw een kringloop kent. Ze liggen daar als zachte echo's van namen die niet langer klinken, als kleuren die weigeren te verdwijnen in het grijs van de Noordzee.

Het beeld vormt een ankerpunt in een landschap dat voortdurend beweegt. De zee trekt zich terug en keert terug, maar de mannen die ooit uitvoeren deden dat niet altijd. In die eeuwige herhaling van golven schuilt een wrede vorm van trouw: de zee geeft ritme, maar geen garanties. En de vissersvrouw weet dat. Haar houding drukt geen wanhoop uit, maar een weten dat ouder is dan woorden. Zij staat daar als iemand die begrijpt dat liefde soms betekent dat je een ander moet toevertrouwen aan een macht die groter is dan jezelf.

Misschien schuilt daarin de ware mystiek van dit monument. Het herinnert niet alleen aan de doden, maar ook aan de dunne grens tussen aanwezigheid en verdwijnen. Aan het feit dat iedere afvaart een kleine sprong in het onbekende is, een offer aan de diepte. Achterblijven wordt dan een eigen vorm van reizen: een tocht door stilte, wachten, te lang wachten en herinnering. 

De bloemen, de bronzen vrouw, de wind die langs haar strijkt alsof hij haar iets wil vertellen - samen vormen zij een plek waar tijd niet lineair meer lijkt. Hier vloeien verleden en heden in elkaar over als twee stromen die elkaar heel even raken. De vissers die nooit terugkeerden zijn niet verdwenen; ze zijn opgenomen in het weefsel van dit dorp: in de geur van de wind, in het schuim van de branding, in de verhalen die grootmoeders fluisteren, in de starende blik van het beeld dat nooit knippert.

Zo staat zij daar niet als symbool van verlies, maar als behoedster van een stille waarheid: dat ieder mens die de horizon tegemoet gaat, een spoor achterlaat dat niet door water kan worden uitgewist. Dat liefde, zelfs wanneer zij wordt uitgerekt tot aan de rand van de wereld niet breekt maar slechts van vorm verandert. Dat herinnering een soort licht is dat blijft branden, zelfs wanneer de zee donker wordt.

In dat licht staat Kniertje, ons vissersvrouwtje, omgeven door bloemen die een tweede leven hebben gevonden. Een mythische priesteres van het tussenrijk, de overgang tussen de fysieke wereld en het onzichtbare, het onderbewuste - een plaats waar verdriet en schoonheid elkaar raken als twee golven die heel even dezelfde richting kiezen. Misschien bewaart ze daarom haar eeuwige stilte: omdat sommige waarheden niet bedoeld zijn om uitgesproken te worden, maar om als getijden door de ziel te bewegen, onzichtbaar, ongrijpbaar en eeuwig terugkerend.

J.J.v.Verre.

donderdag 2 juli 2026

Het Modderbos.

 

In het modderbos wordt het licht geboren uit water. Niet uit de hemel, maar uit het glinsteren van druppels die zich verzamelen aan de randen van bladeren, als kleine altaren van vocht. Het bos is doorweekt, maar niet zwaar - het draagt zijn natheid als een geheim dat het alleen in nevels onthult.

In het Modderbos ademt de aarde zwaar. Elke stap zakt een fractie dieper weg, alsof de grond je wil vasthouden, je wil herinneren aan iets wat je ooit hebt achtergelaten. Het bos is doorweekt tot in zijn wortels; de bomen staan als donkere wachters in een wereld die zacht is geworden, poreus en ontvankelijk voor alles wat druppelt en wegvloeit.

De lucht hangt laag, een vochtige sluier die het licht breekt in matte glinsteringen. Hier glijdt de dag niet voorbij - hij druipt. Van tak naar tak, van blad naar blad, tot hij als een dunne stroom langs de schors naar beneden loopt en zich mengt met het eeuwige slurpen van de modder. Het pad is geen pad meer, maar een herinnering aan richting. Je voeten verdwijnen in een traag zuigende mond, een oergeluid dat klinkt alsof het doorweekte bos je naam scandeert. En soms, wanneer de wind even stilvalt, lijkt het alsof het hele Modderbos ademt in één donkere cadans - een hartslag van water, aarde en tijd.

Het licht zelf wordt hier geboren uit water. Niet uit de hemel, maar uit de glinstering van druppels die zich verzamelen aan de randen van bladeren, als kleine altaren van vocht. Het bos draagt zijn natheid als een geheim dat het slechts aan de stilte toevertrouwt. De aarde zuigt zacht aan je voeten, alsof ze wil weten wie je bent voordat je verder mag. Elke stap is een vraag. Elke afdruk een antwoord dat meteen weer wordt opgenomen in het drassige geheel, alsof het bos je wil leren dat niets werkelijk bezitbaar is - zelfs je eigen spoor niet.

De bomen staan niet willekeurig maar alsof ze ooit samen iets hebben aanschouwd dat hen voorgoed  heeft verbonden. Hun stammen zijn donker en glanzend, als de huid van een zwetend nijlpaard. Soms lijken ze te bewegen, haast onmerkbaar, in een ritme dat niet van deze wereld is - een ademhaling die je pas hoort wanneer je zelf stil genoeg bent geworden. 

Het water dat overal sijpelt, draagt stemmen. Geen woorden, maar klanken die doen denken aan herinneringen die ouder zijn dan jezelf. Een oeroude melodie van soppige aarde, mos dat zich aan schors hecht en wortels die elkaar ondergronds raken. Het is alsof het bos je uitnodigt te luisteren naar wat onder de tijd verborgen ligt: naar dat wat niet vergaat, maar steeds opnieuw een andere vorm aanneemt.

Hier wordt alles zachter: de grens tussen boom en schaduw, tussen grond en water, tussen jou en het bos. Alsof het Modderbos je langzaam herschrijft, je contouren vervaagt, je terugbrengt tot iets eenvoudigs en oeroud - een mens die luistert naar het natte fluisteren van de wereld. 

Wanneer je stilstaat, midden in dat vochtige hart, voel je hoe de grenzen verder oplossen. Tussen jou en de bomen. Tussen water en lucht. Tussen het moment en alles wat eraan voorafging. Alsof het bos je niet alleen omhult, maar je herinnert aan een verbondenheid die ouder is dan herinnering zelf. Een plek waar je nooit eerder was, maar die je toch herkent. Een plek waar de aarde je naam niet uitspreekt, maar zingt in je verwondering.

Wanneer je uiteindelijk omkijkt, zie je dat je spoor al lang is verdwenen. Het bos bewaart niets. Het neemt alleen op draagt alles verder, dieper, naar een plaats waar modder en stilte samenvallen - waar ook jij langzaam deel van wordt.

En even lijkt het alsof niet jij het bos hebt doorkruist, maar het bos, zwijgend en geduldig, door jou heen is gegaan.


J.J.v.Verre.


Dit essay ontstond uit een moment tijdens een recente vakantie op Zanzibar. In een tropisch bos brak onverwacht een moessonregen los. Binnen enkele minuten waren de zandpaden veranderd in modderstromen en waadden we door een landschap dat eerder op een moeras dan op een wandelpad leek. Elke stap zonk weg in de zuigende aarde, terwijl mijn schoeisel nog hardnekkig bleef geloven in zon en droogte.


zaterdag 27 juni 2026

Plaknacht.

 

Onder het koele maanlicht vervaagt de grens tussen lichaam, droom en herinnering, terwijl een slapende gestalte oplost in zweet, mist en stilte. Verspreide woorden, een gebroken spiegel en een splijtende vloer verbeelden een identiteit die haar vaste vorm heeft verloren.


In een plaknacht werd mijn stelling ontkracht:

dat mijn ziel een vaste vorm bewaart,

want ik voelde mij oneindig nat

tussen laken en kussensloop, vergaard

uit zweet en maan. En ergens zacht

kraakte het hout, alsof het wist

van een grens waarvan ik altijd dacht

dat zij bestond - maar nu vermist.


Mijn hand was niet de hand van gister,

mijn adem rook naar verre mist,

mijn huid herkende haar eigen naam niet meer.

En alles wat ik dacht te weten

lag op de vloer: verwrongen, ongewist.


J.J.v.Verre.


dinsdag 19 mei 2026

Echo van een ongeboren vogel.

 

Het schilderij Echo van een ongeboren vogel van Mieke van Ameijde (Acryl op papier) verwijst met zijn titel naar een aanwezigheid die nog geen vorm heeft gevonden, maar zich al laat voelen als een trilling in de lucht. Het suggereert een beweging die voorafgaat aan geboorte - een vleugel die nog niet is uitgeslagen maar wel al een spoor achterlaat in het innerlijk van de kijker. Het werk is geen voorstelling maar een resonantie: een herinnering aan iets dat nog moet ontstaan, een glimp van een mogelijkheid die zich in kleur en lijn heeft vastgezet. In die echo klinkt zowel kwetsbaarheid als kracht; het werk ademt in de ruimte tussen wat zichtbaar is en wat zich nog niet heeft uitgesproken.


Dit schilderij laat zich lezen als een spanningsveld tussen vorm en ontbinding, tussen herkenning en abstractie - alsof de werkelijkheid zelf even in beweging is gezet en nog niet heeft besloten welke gedaante zij wil aannemen. De vogelachtige vormen suggereren leven, richting, misschien zelfs vlucht, maar ze zijn tegelijk gefragmenteerd, overlappend, bijna in strijd met zichzelf.

Het schilderij ontvouwt zich als een spanningsveld tussen vorm en ontbinding, tussen herkenning en abstractie - alsof de werkelijkheid zelf even aarzelde en in die aarzeling zichtbaar werd. De vogelachtige contouren suggereren leven, richting en misschien vlucht, maar tegelijk zijn ze gefragmenteerd en overlappend, bijna in strijd met zichzelf. Ze lijken op te stijgen én terug te vallen, gevangen in een beweging die niet naar een bestemming wijst maar naar een innerlijke trilling, een zoeken dat ouder is dan richting. 

De kleuren botsen en omarmen elkaar: het geel dringt naar voren als een lichtkern, het blauw ademt als een koel tegenwicht, terwijl rood en zwart als onderstromen fluisteren dat elke vorm zijn oorsprong draagt in iets rauws, iets ongetemds. De penseelstreken zijn krachtig, direct en impulsief - geen beschrijving maar een gebaar dat zich niet laat temmen door logica of contour. Zo krijgt het werk een ritmische energie: het beweegt, het duwt en het trekt. De vogelmotieven, vaak symbolen van vrijheid,  lijken hier gevangen in een moment van transformatie: niet opstijgend maar zoekend naar een nieuwe gedaante.

Het geheel voelt als een herinnering aan beweging, aan een vlucht die nog niet heeft plaatsgevonden, aan een spanning tussen vrijheid en vorm die in elk levend wezen sluimert. Misschien wil het schilderij daarom niet alleen gezien, maar ook gelezen worden - niet als een verhaal, maar als een ademhaling, een echo van een innerlijke verschuiving die zich in kleur en lijn heeft vastgezet voordat zij kon verdwijnen.

J.J.v.Verre.

zaterdag 9 mei 2026

Noodlot.

 

Een mysterieuze vrouw gehuld in een sterrenmantel weeft een gloeiende draad die zich verbindt met een web van tijd en gebeurtenissen. In haar hand rust een zandloper, terwijl de schemering het landschap om haar heen in gouden en blauwe stilte hult.


In de avond van het leven

wanneer het licht zachter valt

en de dag zijn scherpte verliest,

tekent het noodlot zijn schaduw.

Niet als een dreiging, maar als vorm

die eindelijk zichtbaar wordt.



Het spreekt niet in bevelen,

maar in verbanden.

In de stille ordening

van wat ons overkwam,

wat wij dachten te kiezen

en ons allang had gekozen.


Als een patroon dat zich pas weeft

wanneer de draad al is gelegd.

Wij lopen vooruit,

maar het noodlot kijkt achterom.

Leest de lijnen die wij niet zien,

maar die al in ons besloten liggen



Ooit noemde men het een wet,

een kosmische bedding

waarin zelfs goden hun plaats kenden.

Waar de tijd zich omdraait:

namen als oorzaak, toeval, samenloop.

Maar de naam verandert de schaduw niet.



J.J.v.Verre.




donderdag 19 maart 2026

Wanneer zielen elkaar herinneren.

 

                        Het herkennen van jezelf in het hart van de ander.
       Geschilderd door Mieke van Ameijde in 2004, Acryl op papier.


In dit schilderij lijkt de wereld teruggebracht tot twee figuren die niet zozeer lichamen zijn, maar gestolde bewegingen van ziel tot ziel. Ze staan tegenover elkaar als wezens die elkaar al langer kennen dan één leven kan bevatten, alsof hun vormen slecht tijdelijke omhulsels zijn van een ontmoeting die zich door de tijd heen blijft herhalen. De vrouw rijkt haar hart aan, niet als offer en niet als een gebaar van verlies, maar als een stille erkenning van wie zij is en wat zij draagt. Het hart dat zij vasthoudt lijkt niet uit organisch materiaal te bestaan, maar uit licht, herinnering en kwetsbaarheid, een spirituele kern die niet alleen klopt, maar ook resoneert.

De ander ontvangt het met een behoedzaamheid die doet vermoeden dat liefde nooit een bezit is. Zijn of haar gestalte lijkt androgyn, alsof het schilderij wil zeggen dat liefde zich niet laat begrenzen door rolpatronen, lichamen of tijd. Misschien was deze geliefde ooit een vrouw, misschien ooit een man, misschien wel iets daartussenin; maar hier, in dit moment, is dat allemaal niet van belang. Liefde als energie, als kracht die niet claimt, maar uitnodigt. Een ontmoeting waarin identiteit vloeibaar wordt, niet omdat die verdwijnt, maar omdat ze zich durft te openen. Wat telt is de beweging tussen hen, de stille stroom van geven en ontvangen die hen verbindt voorbij de grenzen ven één leven.

De achtergrond, zacht en tijdloos, lijkt te ademen in groenen en witten, alsof de wereld even ophoudt te bestaan, wanneer liefde zich in haar getranscendeerde versie aan ons toont. Het is een ruimte zonder verleden of toekomst, een plek waar alleen de uitwisseling zelf betekenis heeft. Een ruimte die toegang geeft aan ons universele verlangen: dat liefde ons optilt uit de tijdelijkheid en ons even laat rusten in iets dat groter is dan wijzelf. En zo wordt dit schilderij een meditatie op nabijheid: het toont hoe een hart pas bestaat wanneer het wordt gedeeld, en hoe twee zielen elkaar soms herkennen in een toevallige vorm die toch een verbondenheid draagt die niet uit behoefte komt, maar uit iets dat ouder is dan verlangen, een dieper weten. Alsof deze twee wezens elkaar niet vinden, maar terugkeren naar een overlappend bewustzijn dat hen voorafgaat. En terwijl hun handen elkaar bijna raken, lijkt het alsof één stille waarheid tussen hen oplicht: dat liefde soms niet anders is dan het herkennen van jezelf in het hart dat je aan de ander geeft. Het hart dat zich verlicht in het eenvoudige wonder dat iemand het wil dragen zonder het ooit te bezitten. En in die beweging herkent de ander een spirituele energie die als een stille stroom tussen hen blijft bewegen, zelfs wanneer woorden tekortschieten. Soms lijkt het alsof de ruimte tussen hen meer vertelt dan hun gebaren ooit kunnen uitdrukken. In die kleine afstand, dat ademloze niemandsland, ontstaat een soort heilige stilte waarin alles dat onuitgesproken blijft toch wordt verstaan. Het is de plek waar verlangen niet duwt, maar geduldig wacht; waar nabijheid niet wordt gezocht, maar als vanzelf oplicht.

Misschien is dat wel de ware kracht van dit moment: dat het niet probeert te overtuigen, niet probeert te bezitten, maar eenvoudigweg zonder iets te willen bestaat. Een ontmoeting die zichzelf draagt, zonder haast, zonder angst, zonder de drang om iets anders te worden dan wat ze al is. Hier, in deze zachte uitwisseling, lijkt liefde niet langer een gevoel, maar een staat van zijn, een licht dat zich niet opdringt, maar toch alles verheldert wat het raakt. Dit schilderij is een stille getuige van wat liefde kan zijn wanneer ze niets hoeft, alleen een ademtocht van licht, gedragen door eenvoud.


J.J.v.Verre.